BWBR0047808
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 5.21
Regeling bodemkwaliteit 2022
1. Ter voorbereiding van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij grond of baggerspecie wordt een bodemonderzoek verricht.
2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen bodemonderzoek te worden verricht ter voorbereiding van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ten behoeve van suppleties van baggerspecie langs de kustlijn als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgevingwanneer:
a. de baggerspecie afkomstig is uit de territoriale zee; en
b. uit het vooronderzoek is gebleken dat er geen indicaties bestaan dat de zeebodem waaruit de partij baggerspecie afkomstig is, zodanig verontreinigd is dat de partij baggerspecie niet geschikt is om in het kader van suppleties te worden toegepast.
3. In afwijking van het eerste lid hoeft geen bodemonderzoek te worden verricht ter voorbereiding van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ten behoeve van verspreiding van baggerspecie op gronden die liggen aan of in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgevingwanneer:
a. de baggerspecie afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij een waterschap;
b. uit het vooronderzoek niet is gebleken dat de baggerspecie mogelijk niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’; en
c. uit het vooronderzoek niet is gebleken dat sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, onderdeel c.
4. In het bodemonderzoek worden voor verontreinigende stoffen, andere parameters en bodemvreemd materiaal bepaald:
a. de concentraties van de stoffen die in bijlage B zijn vermeld en deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket en de gehalten van de parameters lutum en organische stof;
b. de concentraties van de stoffen die in bijlage B zijn vermeld en geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, als de stoffen zijn vermeld in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid;
c. de concentraties van de andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld, als de stoffen zijn vermeld in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid;
d. de waarden of gehalten van andere relevante parameters als de parameters zijn vermeld in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid;
e. de aard en hoeveelheid van het bodemvreemde materiaal als daarvan melding is gemaakt in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid; en
f. de emissies van stoffen die in bijlage B zijn vermeld, als de wens bestaat om in de verklaring op grond van een bodemonderzoek te vermelden dat de partij de specifieke kwaliteit ‘emissiearme grond’ of ‘emissiearme baggerspecie’ bezit.
5. Bodemonderzoek dat op de landbodem betrekking heeft, kan alleen als grondslag voor het afgeven voor een verklaring op grond van een bodemonderzoek worden gebruikt als uit het vooronderzoek is gebleken dat de onderzoeksstrategie moet worden gevolgd die in NEN 5740 is beschreven voor:
1° de toetsing of er sprake is van een schone bodem (TOETS-S);
2° de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR); of
3° de partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).
6. Bodemonderzoek dat op de landbodem betrekking heeft, met inbegrip van de monsterneming en de samenstelling van mengmonsters, wordt verricht volgens de toepasselijke onderzoeksstrategie die is beschreven in NEN 5740. De verkregen monsters en mengmonsters worden voorbehandeld met toepassing van de technieken die zijn beschreven in AP 04.
7. Als het bodemonderzoek op de landbodem betrekking heeft, bedraagt de grootte van de te onderzoeken partij grond ten hoogste 10.000 ton, uitgezonderd in een situatie waarin sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR).
8. Als de partij wordt onderzocht op de aanwezigheid van asbest geldt het volgende:
a. in aanvulling op het zesde lid worden monsters ten behoeve van het onderzoek naar asbest genomen volgens bijlage 7 van SIKB-protocol 1001 of hoofdstuk 8 van NEN 5707 en concentraties van asbest bepaald volgens de onderzoeksstrategie die is beschreven in hoofdstuk 8 van NEN 5707; en
b. In afwijking van het zevende lid bedraagt de grootte van de te onderzoeken partij grond ten hoogste 2.000 ton.
9. Bodemonderzoek dat op de waterbodem betrekking heeft, met inbegrip van de monsterneming en de samenstelling van mengmonsters, wordt verricht volgens de toepasselijke onderzoeksstrategie die is beschreven in NEN 5720. De verkregen monsters en mengmonsters worden voorbehandeld met toepassing van de technieken die zijn beschreven in AS 3000.
2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen bodemonderzoek te worden verricht ter voorbereiding van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ten behoeve van suppleties van baggerspecie langs de kustlijn als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgevingwanneer:
a. de baggerspecie afkomstig is uit de territoriale zee; en
b. uit het vooronderzoek is gebleken dat er geen indicaties bestaan dat de zeebodem waaruit de partij baggerspecie afkomstig is, zodanig verontreinigd is dat de partij baggerspecie niet geschikt is om in het kader van suppleties te worden toegepast.
3. In afwijking van het eerste lid hoeft geen bodemonderzoek te worden verricht ter voorbereiding van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ten behoeve van verspreiding van baggerspecie op gronden die liggen aan of in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgevingwanneer:
a. de baggerspecie afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij een waterschap;
b. uit het vooronderzoek niet is gebleken dat de baggerspecie mogelijk niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’; en
c. uit het vooronderzoek niet is gebleken dat sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, onderdeel c.
4. In het bodemonderzoek worden voor verontreinigende stoffen, andere parameters en bodemvreemd materiaal bepaald:
a. de concentraties van de stoffen die in bijlage B zijn vermeld en deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket en de gehalten van de parameters lutum en organische stof;
b. de concentraties van de stoffen die in bijlage B zijn vermeld en geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, als de stoffen zijn vermeld in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid;
c. de concentraties van de andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld, als de stoffen zijn vermeld in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid;
d. de waarden of gehalten van andere relevante parameters als de parameters zijn vermeld in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid;
e. de aard en hoeveelheid van het bodemvreemde materiaal als daarvan melding is gemaakt in het rapport, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid; en
f. de emissies van stoffen die in bijlage B zijn vermeld, als de wens bestaat om in de verklaring op grond van een bodemonderzoek te vermelden dat de partij de specifieke kwaliteit ‘emissiearme grond’ of ‘emissiearme baggerspecie’ bezit.
5. Bodemonderzoek dat op de landbodem betrekking heeft, kan alleen als grondslag voor het afgeven voor een verklaring op grond van een bodemonderzoek worden gebruikt als uit het vooronderzoek is gebleken dat de onderzoeksstrategie moet worden gevolgd die in NEN 5740 is beschreven voor:
1° de toetsing of er sprake is van een schone bodem (TOETS-S);
2° de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR); of
3° de partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).
6. Bodemonderzoek dat op de landbodem betrekking heeft, met inbegrip van de monsterneming en de samenstelling van mengmonsters, wordt verricht volgens de toepasselijke onderzoeksstrategie die is beschreven in NEN 5740. De verkregen monsters en mengmonsters worden voorbehandeld met toepassing van de technieken die zijn beschreven in AP 04.
7. Als het bodemonderzoek op de landbodem betrekking heeft, bedraagt de grootte van de te onderzoeken partij grond ten hoogste 10.000 ton, uitgezonderd in een situatie waarin sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR).
8. Als de partij wordt onderzocht op de aanwezigheid van asbest geldt het volgende:
a. in aanvulling op het zesde lid worden monsters ten behoeve van het onderzoek naar asbest genomen volgens bijlage 7 van SIKB-protocol 1001 of hoofdstuk 8 van NEN 5707 en concentraties van asbest bepaald volgens de onderzoeksstrategie die is beschreven in hoofdstuk 8 van NEN 5707; en
b. In afwijking van het zevende lid bedraagt de grootte van de te onderzoeken partij grond ten hoogste 2.000 ton.
9. Bodemonderzoek dat op de waterbodem betrekking heeft, met inbegrip van de monsterneming en de samenstelling van mengmonsters, wordt verricht volgens de toepasselijke onderzoeksstrategie die is beschreven in NEN 5720. De verkregen monsters en mengmonsters worden voorbehandeld met toepassing van de technieken die zijn beschreven in AS 3000.