BWBR0047808
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 5.19
Regeling bodemkwaliteit 2022
1. Ter voorbereiding van het bodemonderzoek ten behoeve van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij grond of baggerspecie die uit de te onderzoeken bodemlocatie wordt ontgraven, wordt een vooronderzoek verricht volgens dit artikel.
2. In het vooronderzoek worden nagegaan welke bodemonderzoeken, activiteiten en ontwikkelingen op de ontgravingslocatie hebben plaatsgevonden en wordt op grond van de aldus verkregen informatie afgeleid en gerapporteerd in hoeverre rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijke aanwezigheid in de bodem op de ontgravingslocatie van:
a. stoffen als vermeld in bijlage B die deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket;
b. stoffen als vermeld in bijlage B die geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, in een concentratie die de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, waarschijnlijk overschrijdt;
c. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters;
d. stoffen als vermeld in bijlage B in een van nature verhoogde concentratie;
e. verschillende van elkaar te onderscheiden partijen; en
f. bodemvreemd materiaal.
3. In het vooronderzoek wordt tevens bepaald welke onderzoeksstrategie in het bodemonderzoek moet worden gevolgd volgens:
a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5740; en
b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5720.
4. Het vooronderzoek wordt verricht volgens:
a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5725; en
b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5717.
5. In afwijking van het eerste lid kan een vooronderzoek ten behoeve van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ook worden verricht om na te gaan of kan worden afgezien van het verrichten van een bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.21, eerste lid, als de verklaring wordt afgegeven ten behoeve van:
a. suppleties van baggerspecie die afkomstig is uit de territoriale zee, langs de kustlijn als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
b. verspreiding van baggerspecie op gronden die liggen aan of in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het oppervlaktewaterlichaam in beheer is bij een waterschap.
2. In het vooronderzoek worden nagegaan welke bodemonderzoeken, activiteiten en ontwikkelingen op de ontgravingslocatie hebben plaatsgevonden en wordt op grond van de aldus verkregen informatie afgeleid en gerapporteerd in hoeverre rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijke aanwezigheid in de bodem op de ontgravingslocatie van:
a. stoffen als vermeld in bijlage B die deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket;
b. stoffen als vermeld in bijlage B die geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, in een concentratie die de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, waarschijnlijk overschrijdt;
c. andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld of andere relevante parameters;
d. stoffen als vermeld in bijlage B in een van nature verhoogde concentratie;
e. verschillende van elkaar te onderscheiden partijen; en
f. bodemvreemd materiaal.
3. In het vooronderzoek wordt tevens bepaald welke onderzoeksstrategie in het bodemonderzoek moet worden gevolgd volgens:
a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5740; en
b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5720.
4. Het vooronderzoek wordt verricht volgens:
a. als het betrekking heeft op de landbodem: NEN 5725; en
b. als het betrekking heeft op de waterbodem: NEN 5717.
5. In afwijking van het eerste lid kan een vooronderzoek ten behoeve van de afgifte van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij baggerspecie ook worden verricht om na te gaan of kan worden afgezien van het verrichten van een bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.21, eerste lid, als de verklaring wordt afgegeven ten behoeve van:
a. suppleties van baggerspecie die afkomstig is uit de territoriale zee, langs de kustlijn als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
b. verspreiding van baggerspecie op gronden die liggen aan of in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het oppervlaktewaterlichaam in beheer is bij een waterschap.