BWBR0047808
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 5.20
Regeling bodemkwaliteit 2022
1. De resultaten van het vooronderzoek worden vastgelegd in een rapport.
2. Het rapport bevat de volgende informatie:
a. de naam en het adres van de persoon of instelling die het vooronderzoek heeft verricht;
b. een beschrijving van de wijze waarop het vooronderzoek is verricht, en de bronnen die daartoe zijn geraadpleegd;
c. een beschrijving van de bodemonderzoeken die zijn verricht en de activiteiten en ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden, die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie;
d. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid van stoffen als vermeld in bijlage B die deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket;
e. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid van stoffen als vermeld in bijlage B die geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, waarvan de concentratie de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, waarschijnlijk overschrijdt;
f. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld, andere relevante parameters en bodemvreemd materiaal;
g. een aanduiding welke te onderscheiden partijen op de te ontgraven bodemlocatie voorkomen;
h. een conclusie welke onderzoeksstrategie in het bodemonderzoek in het kader van NEN 5740, als het de landbodem betreft, of NEN 5720, als het de waterbodem betreft, moet worden gevolgd;
i. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport; en
j. een uniek nummer van het rapport.
3. In een geval als bedoeld in artikel 5.19, vijfde lid, aanhef en onder a, bevat het rapport ten minste:
a. een conclusie of de partij afkomstig is uit de territoriale zee; en
b. een conclusie in hoeverre er indicaties bestaan dat de zeebodem waaruit de partij baggerspecie afkomstig is, zodanig verontreinigd is dat de partij baggerspecie niet geschikt is om volgens het Besluit activiteiten leefomgeving te worden toegepast in het kader van suppleties van baggerspecie langs de kustlijn als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgeving,
met dien verstande dat in geval van een negatieve conclusie als bedoeld in onderdeel b kan worden volstaan met de informatie, bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c, g, i en j.
4. In een geval als bedoeld in artikel 5.19, vijfde lid, aanhef en onder b, bevat het rapport ten minste:
a. een conclusie in hoeverre de baggerspecie afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij een waterschap;
b. een conclusie in hoeverre er indicaties bestaan dat de baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’;
c. een conclusie in hoeverre de baggerspecie afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam: 1° dat is gelegen in bebouwd gebied, daaronder begrepen kassen- en industriegebieden;
2° waar geregeld beroeps- of pleziermotorvaart plaatsvindt;
3° waarin is geloosd sinds de laatste keer dat er is gebaggerd;
4° dat grenst aan wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 500 voertuigen per dag, tenzij het bermsloten betreft op een afstand van ten minste 15 meter en de wegriolering daarin niet loost; of
5° met een oeverbeschoeiing die bestaat uit met gecreosoteerde olie behandeld hout; en
1° dat is gelegen in bebouwd gebied, daaronder begrepen kassen- en industriegebieden;
2° waar geregeld beroeps- of pleziermotorvaart plaatsvindt;
3° waarin is geloosd sinds de laatste keer dat er is gebaggerd;
4° dat grenst aan wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 500 voertuigen per dag, tenzij het bermsloten betreft op een afstand van ten minste 15 meter en de wegriolering daarin niet loost; of
5° met een oeverbeschoeiing die bestaat uit met gecreosoteerde olie behandeld hout; en
d. met dien verstande dat in geval van negatieve conclusies als bedoeld in onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, kan worden volstaan met de informatie, bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c, g, i en j.
2. Het rapport bevat de volgende informatie:
a. de naam en het adres van de persoon of instelling die het vooronderzoek heeft verricht;
b. een beschrijving van de wijze waarop het vooronderzoek is verricht, en de bronnen die daartoe zijn geraadpleegd;
c. een beschrijving van de bodemonderzoeken die zijn verricht en de activiteiten en ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden, die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de bodem op de ontgravingslocatie;
d. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid van stoffen als vermeld in bijlage B die deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket;
e. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid van stoffen als vermeld in bijlage B die geen deel uitmaken van het standaardonderzoekspakket, waarvan de concentratie de kwaliteitseis voor de bovengrens van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, onderscheidenlijk ‘algemeen toepasbaar’, waarschijnlijk overschrijdt;
f. een vermelding van de waarschijnlijke aanwezigheid van andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B vermeld, andere relevante parameters en bodemvreemd materiaal;
g. een aanduiding welke te onderscheiden partijen op de te ontgraven bodemlocatie voorkomen;
h. een conclusie welke onderzoeksstrategie in het bodemonderzoek in het kader van NEN 5740, als het de landbodem betreft, of NEN 5720, als het de waterbodem betreft, moet worden gevolgd;
i. de naam en het adres van de persoon of instelling die het rapport heeft opgesteld en de datum van vaststelling van het rapport; en
j. een uniek nummer van het rapport.
3. In een geval als bedoeld in artikel 5.19, vijfde lid, aanhef en onder a, bevat het rapport ten minste:
a. een conclusie of de partij afkomstig is uit de territoriale zee; en
b. een conclusie in hoeverre er indicaties bestaan dat de zeebodem waaruit de partij baggerspecie afkomstig is, zodanig verontreinigd is dat de partij baggerspecie niet geschikt is om volgens het Besluit activiteiten leefomgeving te worden toegepast in het kader van suppleties van baggerspecie langs de kustlijn als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgeving,
met dien verstande dat in geval van een negatieve conclusie als bedoeld in onderdeel b kan worden volstaan met de informatie, bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c, g, i en j.
4. In een geval als bedoeld in artikel 5.19, vijfde lid, aanhef en onder b, bevat het rapport ten minste:
a. een conclusie in hoeverre de baggerspecie afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij een waterschap;
b. een conclusie in hoeverre er indicaties bestaan dat de baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’;
c. een conclusie in hoeverre de baggerspecie afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam: 1° dat is gelegen in bebouwd gebied, daaronder begrepen kassen- en industriegebieden;
2° waar geregeld beroeps- of pleziermotorvaart plaatsvindt;
3° waarin is geloosd sinds de laatste keer dat er is gebaggerd;
4° dat grenst aan wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 500 voertuigen per dag, tenzij het bermsloten betreft op een afstand van ten minste 15 meter en de wegriolering daarin niet loost; of
5° met een oeverbeschoeiing die bestaat uit met gecreosoteerde olie behandeld hout; en
1° dat is gelegen in bebouwd gebied, daaronder begrepen kassen- en industriegebieden;
2° waar geregeld beroeps- of pleziermotorvaart plaatsvindt;
3° waarin is geloosd sinds de laatste keer dat er is gebaggerd;
4° dat grenst aan wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 500 voertuigen per dag, tenzij het bermsloten betreft op een afstand van ten minste 15 meter en de wegriolering daarin niet loost; of
5° met een oeverbeschoeiing die bestaat uit met gecreosoteerde olie behandeld hout; en
d. met dien verstande dat in geval van negatieve conclusies als bedoeld in onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, kan worden volstaan met de informatie, bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c, g, i en j.