BWBR0047808
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 3.11
Regeling bodemkwaliteit 2022
1. Om te bepalen of materiaal moet worden aangemerkt als grond of baggerspecie wordt een onderzoek verricht naar de geschiedenis van ontgraven en verplaatsen van het materiaal.
2. Als sprake is van materiaal dat is of wordt ontgraven uit de landbodem of waterbodem, wordt het materiaal aangemerkt als grond, onderscheidenlijk baggerspecie.
3. In afwijking van het tweede lid wordt wanneer de bodem is opgehoogd of in hoge mate is vermengd met materiaal dat niet als grond of baggerspecie kan worden aangemerkt, of in andere gevallen van twijfel of sprake is van grond of baggerspecie een onderzoek verricht volgens het vierde tot en met zevende lid.
4. Voor het onderzoek wordt een mengmonster dat representatief is voor de partij samengesteld uit zes aselect genomen grepen van 180 gram.
5. In afwijking van het vierde lid mag ook gebruik worden gemaakt van een mengmonster dat beschikbaar is uit een eerdere partijkeuring of eerder bodemonderzoek met betrekking tot de partij.
6. Het gehalte organische stof wordt bepaald volgens NEN 5754.
7. De hoeveelheden minerale delen, uitgesplitst naar lutum, silt, zand, en schelpen en grind, worden bepaald volgens NEN 5753 en NEN 5104.
8. Op grond van de resultaten van het onderzoek volgens deze bepaling wordt met gebruikmaking van de methodiek die is beschreven in NEN 5104, bepaald of sprake is van een partij grond of baggerspecie.
2. Als sprake is van materiaal dat is of wordt ontgraven uit de landbodem of waterbodem, wordt het materiaal aangemerkt als grond, onderscheidenlijk baggerspecie.
3. In afwijking van het tweede lid wordt wanneer de bodem is opgehoogd of in hoge mate is vermengd met materiaal dat niet als grond of baggerspecie kan worden aangemerkt, of in andere gevallen van twijfel of sprake is van grond of baggerspecie een onderzoek verricht volgens het vierde tot en met zevende lid.
4. Voor het onderzoek wordt een mengmonster dat representatief is voor de partij samengesteld uit zes aselect genomen grepen van 180 gram.
5. In afwijking van het vierde lid mag ook gebruik worden gemaakt van een mengmonster dat beschikbaar is uit een eerdere partijkeuring of eerder bodemonderzoek met betrekking tot de partij.
6. Het gehalte organische stof wordt bepaald volgens NEN 5754.
7. De hoeveelheden minerale delen, uitgesplitst naar lutum, silt, zand, en schelpen en grind, worden bepaald volgens NEN 5753 en NEN 5104.
8. Op grond van de resultaten van het onderzoek volgens deze bepaling wordt met gebruikmaking van de methodiek die is beschreven in NEN 5104, bepaald of sprake is van een partij grond of baggerspecie.