BWBR0001950
Geldig vanaf 2013-12-18
Artikel 48a
Algemeen Rijksambtenarenreglement
1. Het bedrag van de bezoldiging of de laatstgenoten bezoldiging, bedoeld in de artikelen 37, 37a, derde lid, en 38, en het bedrag van de eindejaarsuitkering, bedoeld in de genoemde artikelen, worden in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris respectievelijk de eindejaarsuitkering.
2. Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17</a>, <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/17a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">17a</a>, <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">18</a>of <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/18a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>, worden die toelagen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag, vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge zijn arbeidstijdpatroon zou zijn toegekend indien hij niet ongeschikt was geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Indien de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk is, dan wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen heeft genoten over de drie kalendermaanden voorafgaande aan:
a) de kalendermaand waarin de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte; of
b) de kalendermaand waarin de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.
3. Indien ook voor het overige de bezoldiging niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt, wordt gerekend met het bedrag dat gemiddeld per maand is toegekend over de drie kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin:
a) de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
b) de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.
4. Voor zover de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geen drie kalendermaanden in dienst is geweest, wordt voor de toepassing van het tweede en derde lid gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld aan bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij in dienst is geweest vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid respectievelijk tot het vervullen van een naar aard en omvang soortgelijke betrekking.
2. Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17</a>, <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/17a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">17a</a>, <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">18</a>of <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/18a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>, worden die toelagen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag, vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge zijn arbeidstijdpatroon zou zijn toegekend indien hij niet ongeschikt was geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Indien de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk is, dan wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen heeft genoten over de drie kalendermaanden voorafgaande aan:
a) de kalendermaand waarin de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte; of
b) de kalendermaand waarin de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.
3. Indien ook voor het overige de bezoldiging niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt, wordt gerekend met het bedrag dat gemiddeld per maand is toegekend over de drie kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin:
a) de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
b) de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.
4. Voor zover de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geen drie kalendermaanden in dienst is geweest, wordt voor de toepassing van het tweede en derde lid gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld aan bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij in dienst is geweest vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid respectievelijk tot het vervullen van een naar aard en omvang soortgelijke betrekking.