BWBR0001950
Geldig vanaf 2013-12-18
Artikel 49w
Algemeen Rijksambtenarenreglement
1. Van overtolligheid is sprake indien binnen het te reorganiseren onderdeel van de sector Rijk, meer ambtenaren een uitwisselbare functie vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies voor de betrokken ambtenaren resteren.
2. De overtolligheid wordt door het bevoegd gezag vastgesteld per leeftijdsgroep binnen de categorie uitwisselbare functies. Hierbij wordt het eerst als overtollig aangewezen de ambtenaar die het geringste aantal jaren overheidswerknemer is als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007791/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP</a>. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag van deze volgorde afwijken.
3. De leeftijdsgroepen, bedoeld in het tweede lid, omvatten de leeftijd van 15 tot en met 24 jaar, 25 tot en met 34 jaar, 35 tot en met 44 jaar, 45 tot en met 54 jaar, en 55 jaar en ouder.
4. Om te bepalen tot welke leeftijdsgroep een ambtenaar behoort, stelt het bevoegd gezag een peildatum vast.
5. Ambtenaren van wie de aanstelling binnen 26 weken na de peildatum eindigt blijven buiten beschouwing bij het vaststellen van overtolligheid.
6. Bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst worden nadere regels gesteld over de toepassing van dit artikel.
2. De overtolligheid wordt door het bevoegd gezag vastgesteld per leeftijdsgroep binnen de categorie uitwisselbare functies. Hierbij wordt het eerst als overtollig aangewezen de ambtenaar die het geringste aantal jaren overheidswerknemer is als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007791/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP</a>. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag van deze volgorde afwijken.
3. De leeftijdsgroepen, bedoeld in het tweede lid, omvatten de leeftijd van 15 tot en met 24 jaar, 25 tot en met 34 jaar, 35 tot en met 44 jaar, 45 tot en met 54 jaar, en 55 jaar en ouder.
4. Om te bepalen tot welke leeftijdsgroep een ambtenaar behoort, stelt het bevoegd gezag een peildatum vast.
5. Ambtenaren van wie de aanstelling binnen 26 weken na de peildatum eindigt blijven buiten beschouwing bij het vaststellen van overtolligheid.
6. Bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst worden nadere regels gesteld over de toepassing van dit artikel.