BWBR0001950
Geldig vanaf 2013-12-18
Artikel 49tt
Algemeen Rijksambtenarenreglement
1. Aan de VWNW-kandidaat wordt op zijn aanvraag een stimuleringspremie bij ontslag toegekend, indien hij afziet van zijn aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar die VWNW-kandidaat is geworden gedurende een voorbereidende fase in verband met een wijziging van de plaats van tewerkstelling zonder dat sprake is van een dreigende opheffing van functies of vermindering van uitwisselbare functies als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, onder b.
3. De hoogte van de stimuleringspremie bedraagt één maandsalaris per rekenkundige maand. Voor de verplichte VWNW-kandidaat bedraagt de stimuleringspremie één maandsalaris per rekenkundige maand vermenigvuldigd met het aantal voor de betrokkene resterende maanden voor het begeleidingstraject gedeeld door 18.
4. De rekenkundige maanden, bedoeld in het derde lid, zijn:
a. vier maanden voor VWNW-kandidaten die minder dan tien jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP,
b. acht maanden voor VWNW-kandidaten die tien tot twintig jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP,
c. twaalf maanden voor VWNW-kandidaten die twintig tot vijfentwintig jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP,
d. achttien maanden voor VWNW-kandidaten die vijfentwintig tot dertig jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP,
e. vierentwintig maanden voor VWNW-kandidaten die dertig of meer jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP.
5. In afwijking van het vierde lid is het aantal rekenkundige maanden het aantal hele maanden tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002221/artikel/7a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7a, eerste en tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet</a>, indien dit aantal lager is dan de aantallen bedoeld in het vierde lid.
6. Bij het vaststellen van de teller, bedoeld in het derde lid, wordt uitgegaan van de datum waarop de VWNW-kandidaat het ontslag wil laten ingaan waarbij tussen de aanvraag en de gewenste ontslagdatum de opzegtermijn ten minste een maand bedraagt, met dien verstande dat een maand opzegtermijn niet in mindering wordt gebracht op de resterende maanden van het begeleidingstraject in de teller.
7. De stimuleringspremie bedraagt ten hoogste € 79.000 per 1 januari 2019: € 81.000of niet meer dan de som van twaalf maandsalarissen verhoogd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering van de VWNW-kandidaat, indien deze som hoger is. Artikel 49kka, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
8. De stimuleringspremie wordt terugbetaald indien:
a. de voormalige VWNW-kandidaat terugkeert naar een functie binnen de sector Rijk binnen het aantal maanden van zijn volgens het vierde lid vastgestelde rekenkundige periode van VWNW-begeleiding;
b. de voormalige VWNW-kandidaat vanwege ontslag op zijn aanvraag een werkloosheidsuitkering wordt toegekend ten laste van het bevoegd gezag, of
c. de voormalige VWNW-kandidaat buitengewoon verlof is verleend krachtens de in het tiende lid gestelde regels en hij na afloop van het buitengewoon verlof terugkeert naar een functie binnen de sector Rijk binnen het voor de betrokkene op grond van het vierde lid vastgestelde rekenkundige periode.
9. Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen regels worden gesteld over het inzetten van de stimuleringspremie ten behoeve van buitengewoon verlof , waarbij aan VWNW-kandidaten op hun verzoek buitengewoon verlof wordt verleend.
10. In aanvulling op het negende lid bepaalt Onze Minister bij regeling of van de mogelijkheid tot het inzetten van de stimuleringspremie ten behoeve van buitengewoon verlof, waarbij aan VWNW-kandidaten op hun verzoek buitengewoon verlof wordt verleend gebruik kan worden gemaakt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar die VWNW-kandidaat is geworden gedurende een voorbereidende fase in verband met een wijziging van de plaats van tewerkstelling zonder dat sprake is van een dreigende opheffing van functies of vermindering van uitwisselbare functies als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, onder b.
3. De hoogte van de stimuleringspremie bedraagt één maandsalaris per rekenkundige maand. Voor de verplichte VWNW-kandidaat bedraagt de stimuleringspremie één maandsalaris per rekenkundige maand vermenigvuldigd met het aantal voor de betrokkene resterende maanden voor het begeleidingstraject gedeeld door 18.
4. De rekenkundige maanden, bedoeld in het derde lid, zijn:
a. vier maanden voor VWNW-kandidaten die minder dan tien jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP,
b. acht maanden voor VWNW-kandidaten die tien tot twintig jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP,
c. twaalf maanden voor VWNW-kandidaten die twintig tot vijfentwintig jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP,
d. achttien maanden voor VWNW-kandidaten die vijfentwintig tot dertig jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP,
e. vierentwintig maanden voor VWNW-kandidaten die dertig of meer jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP.
5. In afwijking van het vierde lid is het aantal rekenkundige maanden het aantal hele maanden tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002221/artikel/7a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7a, eerste en tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet</a>, indien dit aantal lager is dan de aantallen bedoeld in het vierde lid.
6. Bij het vaststellen van de teller, bedoeld in het derde lid, wordt uitgegaan van de datum waarop de VWNW-kandidaat het ontslag wil laten ingaan waarbij tussen de aanvraag en de gewenste ontslagdatum de opzegtermijn ten minste een maand bedraagt, met dien verstande dat een maand opzegtermijn niet in mindering wordt gebracht op de resterende maanden van het begeleidingstraject in de teller.
7. De stimuleringspremie bedraagt ten hoogste € 79.000 per 1 januari 2019: € 81.000of niet meer dan de som van twaalf maandsalarissen verhoogd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering van de VWNW-kandidaat, indien deze som hoger is. Artikel 49kka, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
8. De stimuleringspremie wordt terugbetaald indien:
a. de voormalige VWNW-kandidaat terugkeert naar een functie binnen de sector Rijk binnen het aantal maanden van zijn volgens het vierde lid vastgestelde rekenkundige periode van VWNW-begeleiding;
b. de voormalige VWNW-kandidaat vanwege ontslag op zijn aanvraag een werkloosheidsuitkering wordt toegekend ten laste van het bevoegd gezag, of
c. de voormalige VWNW-kandidaat buitengewoon verlof is verleend krachtens de in het tiende lid gestelde regels en hij na afloop van het buitengewoon verlof terugkeert naar een functie binnen de sector Rijk binnen het voor de betrokkene op grond van het vierde lid vastgestelde rekenkundige periode.
9. Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen regels worden gesteld over het inzetten van de stimuleringspremie ten behoeve van buitengewoon verlof , waarbij aan VWNW-kandidaten op hun verzoek buitengewoon verlof wordt verleend.
10. In aanvulling op het negende lid bepaalt Onze Minister bij regeling of van de mogelijkheid tot het inzetten van de stimuleringspremie ten behoeve van buitengewoon verlof, waarbij aan VWNW-kandidaten op hun verzoek buitengewoon verlof wordt verleend gebruik kan worden gemaakt.