BWBR0001950
Geldig vanaf 2013-12-18
Artikel 4
Algemeen Rijksambtenarenreglement
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: het hoofd van het betrokken ministerie;
b. hoofd van dienst: de door Ons of door Onze Minister als zodanig aangewezen autoriteit;
c. volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat;
d. arbeidsduurfactor: een breuk, waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36;
e. sector Rijk: de ambtelijke diensten van: 1° elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie;
2° de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
3° de Raad van State;
4° de Algemene Rekenkamer;
5° de Nationale ombudsman;
6° de Hoge Raad van Adel;
7° het Kabinet van de Koning;
8° de Kanselarij der Nederlandse Orden;
9° het secretariaat van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
10° de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden;
11° het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden;
1° elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie;
2° de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
3° de Raad van State;
4° de Algemene Rekenkamer;
5° de Nationale ombudsman;
6° de Hoge Raad van Adel;
7° het Kabinet van de Koning;
8° de Kanselarij der Nederlandse Orden;
9° het secretariaat van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
10° de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden;
11° het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden;
f. bevoegd gezag: 1° het tot aanstelling bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid;
2° Onze Minister, indien aanstelling bij koninklijk besluit als bedoeld in artikel 7, derde lid geschiedt, of
3° de vicepresident van de Raad van State, het college van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of de voorzitter van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden, voor zover de aanstelling bij koninklijk besluit geschiedt en betrekking heeft op een functie bij de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, respectievelijk de toetsingscommissie inzet bevoegdheden.
1° het tot aanstelling bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid;
2° Onze Minister, indien aanstelling bij koninklijk besluit als bedoeld in artikel 7, derde lid geschiedt, of
3° de vicepresident van de Raad van State, het college van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of de voorzitter van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden, voor zover de aanstelling bij koninklijk besluit geschiedt en betrekking heeft op een functie bij de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, respectievelijk de toetsingscommissie inzet bevoegdheden.
2. Tenzij anders is bepaald wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan onder salaris onderscheidenlijk bezoldiging, vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, hetgeen daaronder wordt verstaan in het <a href="/wet/BWBR0003630" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>.
3. Ingeval de bezoldiging van de ambtenaar is geregeld krachtens een andere bezoldigingsregeling dan die bedoeld in het tweede lid, wordt voor de toepassing van dit besluit onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging verstaan, het bedrag dat op overeenkomstige wijze is vastgesteld als in het <a href="/wet/BWBR0003630" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>.
4. In dit besluit wordt onder echtgenoot of echtgenote mede verstaan de levenspartner met wie de niet gehuwde ambtenaar samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding alsmede de geregistreerde partner. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede verstaan de achtergebleven levenspartner of de achtergebleven geregistreerde partner. Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot of echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Onder gezinslid wordt in voorkomend geval mede verstaan de geregistreerde partner of de levenspartner.
Onze Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract is gesloten.
5. In dit besluit wordt onder lid van de Algemene Bestuursdienst verstaan:
a. de ambtenaar die is aangesteld als lid van de topmanagementgroep;
b. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 17 of 18 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt;
c. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 16 of 15 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt en die daartoe door of namens Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is aangewezen.
a. Onze Minister: het hoofd van het betrokken ministerie;
b. hoofd van dienst: de door Ons of door Onze Minister als zodanig aangewezen autoriteit;
c. volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat;
d. arbeidsduurfactor: een breuk, waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36;
e. sector Rijk: de ambtelijke diensten van: 1° elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie;
2° de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
3° de Raad van State;
4° de Algemene Rekenkamer;
5° de Nationale ombudsman;
6° de Hoge Raad van Adel;
7° het Kabinet van de Koning;
8° de Kanselarij der Nederlandse Orden;
9° het secretariaat van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
10° de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden;
11° het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden;
1° elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie;
2° de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
3° de Raad van State;
4° de Algemene Rekenkamer;
5° de Nationale ombudsman;
6° de Hoge Raad van Adel;
7° het Kabinet van de Koning;
8° de Kanselarij der Nederlandse Orden;
9° het secretariaat van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
10° de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden;
11° het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden;
f. bevoegd gezag: 1° het tot aanstelling bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid;
2° Onze Minister, indien aanstelling bij koninklijk besluit als bedoeld in artikel 7, derde lid geschiedt, of
3° de vicepresident van de Raad van State, het college van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of de voorzitter van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden, voor zover de aanstelling bij koninklijk besluit geschiedt en betrekking heeft op een functie bij de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, respectievelijk de toetsingscommissie inzet bevoegdheden.
1° het tot aanstelling bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid;
2° Onze Minister, indien aanstelling bij koninklijk besluit als bedoeld in artikel 7, derde lid geschiedt, of
3° de vicepresident van de Raad van State, het college van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of de voorzitter van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden, voor zover de aanstelling bij koninklijk besluit geschiedt en betrekking heeft op een functie bij de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, respectievelijk de toetsingscommissie inzet bevoegdheden.
2. Tenzij anders is bepaald wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan onder salaris onderscheidenlijk bezoldiging, vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, hetgeen daaronder wordt verstaan in het <a href="/wet/BWBR0003630" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>.
3. Ingeval de bezoldiging van de ambtenaar is geregeld krachtens een andere bezoldigingsregeling dan die bedoeld in het tweede lid, wordt voor de toepassing van dit besluit onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging verstaan, het bedrag dat op overeenkomstige wijze is vastgesteld als in het <a href="/wet/BWBR0003630" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>.
4. In dit besluit wordt onder echtgenoot of echtgenote mede verstaan de levenspartner met wie de niet gehuwde ambtenaar samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding alsmede de geregistreerde partner. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede verstaan de achtergebleven levenspartner of de achtergebleven geregistreerde partner. Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot of echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Onder gezinslid wordt in voorkomend geval mede verstaan de geregistreerde partner of de levenspartner.
Onze Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract is gesloten.
5. In dit besluit wordt onder lid van de Algemene Bestuursdienst verstaan:
a. de ambtenaar die is aangesteld als lid van de topmanagementgroep;
b. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 17 of 18 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt;
c. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 16 of 15 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt en die daartoe door of namens Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is aangewezen.