BWBR0001950
Geldig vanaf 2013-12-18
Artikel 106
Algemeen Rijksambtenarenreglement
1. Elke centrale is bevoegd tot aanwijzing van twee leden en twee plaatsvervangende leden van de Sectorcommissie.
2. Wij behouden Ons voor een toelating tot het overleg krachtens artikel 105 te schorsen en een toelating tot het overleg krachtens het tweede lid van dat artikel, onder <em>e</em>, in te trekken, indien de centrale van verenigingen van ambtenaren naar Ons oordeel niet meer representatief is dan wel het algemeen belang zich tegen haar verdere toelating verzet.
3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd een lid of plaatsvervangend lid van de Sectorcommissie van deelneming aan het overleg uit te sluiten indien naar het oordeel van Onze genoemde Minister het dienstbelang dit in verband met zijn werkzaamheden als Rijksambtenaar vordert. De uitsluiting geschiedt niet dan nadat het bestuur van de daarbij betrokken zijnde centrale van verenigingen van ambtenaren over het voornemen daartoe is gehoord, en het advies van de overige leden van de Sectorcommissie daarover is ingewonnen.
In afwachting van de beslissing van Onze Minister neemt het betrokken lid of plaatsvervangend lid niet of niet meer deel aan het overleg.
Na de uitsluiting wijst de desbetreffende centrale een andere vertegenwoordiger aan als lid of plaatsvervangend lid van de Sectorcommissie in de plaats van de uitgeslotene.
2. Wij behouden Ons voor een toelating tot het overleg krachtens artikel 105 te schorsen en een toelating tot het overleg krachtens het tweede lid van dat artikel, onder <em>e</em>, in te trekken, indien de centrale van verenigingen van ambtenaren naar Ons oordeel niet meer representatief is dan wel het algemeen belang zich tegen haar verdere toelating verzet.
3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd een lid of plaatsvervangend lid van de Sectorcommissie van deelneming aan het overleg uit te sluiten indien naar het oordeel van Onze genoemde Minister het dienstbelang dit in verband met zijn werkzaamheden als Rijksambtenaar vordert. De uitsluiting geschiedt niet dan nadat het bestuur van de daarbij betrokken zijnde centrale van verenigingen van ambtenaren over het voornemen daartoe is gehoord, en het advies van de overige leden van de Sectorcommissie daarover is ingewonnen.
In afwachting van de beslissing van Onze Minister neemt het betrokken lid of plaatsvervangend lid niet of niet meer deel aan het overleg.
Na de uitsluiting wijst de desbetreffende centrale een andere vertegenwoordiger aan als lid of plaatsvervangend lid van de Sectorcommissie in de plaats van de uitgeslotene.