BWBR0003630
Geldig vanaf 2016-11-17
Artikel 17a
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984
1. Aan de ambtenaar die krachtens een arbeidstijdpatroon als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001950/artikel/21" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 21, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement</a>of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, anders dan bij wijze van overwerk regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen van maandag tot en met vrijdag tussen 8.00 en 18.00 uur wordt voor het in opdracht van het bevoegde gezag verrichten van arbeid op uren die afwijken van het krachtens het arbeidstijdpatroon vastgestelde rooster een toelage toegekend, voor zover met die uren het totaal van de per werkperiode vastgestelde aantal arbeidsuren niet wordt overschreden.
2. Op de in het eerste lid bedoelde toelage bestaat geen aanspraak indien tussen het geven van de opdracht en het verrichten van de arbeid meer dan 72 uur zijn verstreken.
3. De toelage bedraagt voor elk vol uur waarop in afwijking van het arbeidstijdpatroon arbeid is verricht 45% van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur, met dien verstande dat dit percentage wordt berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij salarisnummer 10 van salarisschaal 7.
4. Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 17, zevende lid, een vaste toelage heeft vastgesteld voor de ambtenaar, kan het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid, voor de ambtenaar een vaste maandelijkse toelage vaststellen.
5. De toelage, bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld aan de hand van het bepaalde in het derde lid, het voor de ambtenaar geldende arbeidstijdpatroon en de mate waarin en de wijze waarop van dat arbeidstijdpatroon pleegt te worden afgeweken. De toelage wordt aangepast indien zich wijzigingen voordoen in de berekeningsgrondslag daarvan.
2. Op de in het eerste lid bedoelde toelage bestaat geen aanspraak indien tussen het geven van de opdracht en het verrichten van de arbeid meer dan 72 uur zijn verstreken.
3. De toelage bedraagt voor elk vol uur waarop in afwijking van het arbeidstijdpatroon arbeid is verricht 45% van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur, met dien verstande dat dit percentage wordt berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij salarisnummer 10 van salarisschaal 7.
4. Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 17, zevende lid, een vaste toelage heeft vastgesteld voor de ambtenaar, kan het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid, voor de ambtenaar een vaste maandelijkse toelage vaststellen.
5. De toelage, bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld aan de hand van het bepaalde in het derde lid, het voor de ambtenaar geldende arbeidstijdpatroon en de mate waarin en de wijze waarop van dat arbeidstijdpatroon pleegt te worden afgeweken. De toelage wordt aangepast indien zich wijzigingen voordoen in de berekeningsgrondslag daarvan.