BWBR0001950
Geldig vanaf 2013-12-18
Artikel 46
Algemeen Rijksambtenarenreglement
1. Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge artikel 33fc, het eerste, tweede of het vierde lid, toekomende uitkering:
a) wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel
b) binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 38. De termijn van 52 weken wordt geacht aan te vangen na beëindiging van voornoemde periode respectievelijk met ingang van de eerste dag waarop zij ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.
2. Ongeschikt tot werken, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het eerste lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij vervulde, te vervullen.
a) wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel
b) binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 38. De termijn van 52 weken wordt geacht aan te vangen na beëindiging van voornoemde periode respectievelijk met ingang van de eerste dag waarop zij ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.
2. Ongeschikt tot werken, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het eerste lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij vervulde, te vervullen.