BWBR0001950
Geldig vanaf 2013-12-18
Artikel 17
Algemeen Rijksambtenarenreglement
1. De ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is, wordt geacht in zijn burgerlijke betrekking met verlof te zijn.
2. Hij behoudt over de tijd van deze dienst het genot van de aan zijn ambt verbonden bezoldiging, slechts voor zover hem bij of krachtens de artikelen 18 tot en met 20 daarop aanspraak is verleend. Voor zover die werkelijke dienst wordt vervuld in aan hem verleend vacantieverlof, behoudt hij in ieder geval het genot van de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging.
3. Voor de toepassing van het vorige lid en de artikelen 18 tot en met 20 en 20 <em>d</em>wordt - ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>- dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem geldende arbeidstijdpatroon zou zijn toegekend, indien hij niet aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn onttrokken.
Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit, met inachtneming van de percentages en het berekeningsmaximum zoals genoemd in artikel 17 van vorengenoemd besluit, berekend over het voor de ambtenaar geldende salaris, zulks naar de aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken, ingevolge de voor hem geldende arbeidstijdpatroon gemiddeld per maand is gewerkt.
4. Voor de toepassing van het tweede lid en de artikelen 18 tot en met 20 en 20 <em>d</em>wordt - ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/18a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>- dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge het voor hem geldende consignatierooster zou zijn toegekend, indien hij niet aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn onttrokken. Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit bedrag berekend naar de berekeningsgrondslag en de percentages zoals genoemd in artikel 18 <em>a</em>van vorengenoemd besluit, zulks naar de aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken, gemiddeld per maand consignatiediensten zijn verricht.
5. Voor zover de ambtenaar ingevolge de voor hem geldende bezoldigingsregeling aanspraak heeft op een vakantie-uitkering geniet hij deze uitkering slechts voor zoveel die uitgaat boven de vakantie-uitkering waarop hij als militair aanspraak heeft.
2. Hij behoudt over de tijd van deze dienst het genot van de aan zijn ambt verbonden bezoldiging, slechts voor zover hem bij of krachtens de artikelen 18 tot en met 20 daarop aanspraak is verleend. Voor zover die werkelijke dienst wordt vervuld in aan hem verleend vacantieverlof, behoudt hij in ieder geval het genot van de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging.
3. Voor de toepassing van het vorige lid en de artikelen 18 tot en met 20 en 20 <em>d</em>wordt - ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>- dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem geldende arbeidstijdpatroon zou zijn toegekend, indien hij niet aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn onttrokken.
Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit, met inachtneming van de percentages en het berekeningsmaximum zoals genoemd in artikel 17 van vorengenoemd besluit, berekend over het voor de ambtenaar geldende salaris, zulks naar de aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken, ingevolge de voor hem geldende arbeidstijdpatroon gemiddeld per maand is gewerkt.
4. Voor de toepassing van het tweede lid en de artikelen 18 tot en met 20 en 20 <em>d</em>wordt - ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003630/artikel/18a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>- dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge het voor hem geldende consignatierooster zou zijn toegekend, indien hij niet aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn onttrokken. Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit bedrag berekend naar de berekeningsgrondslag en de percentages zoals genoemd in artikel 18 <em>a</em>van vorengenoemd besluit, zulks naar de aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken, gemiddeld per maand consignatiediensten zijn verricht.
5. Voor zover de ambtenaar ingevolge de voor hem geldende bezoldigingsregeling aanspraak heeft op een vakantie-uitkering geniet hij deze uitkering slechts voor zoveel die uitgaat boven de vakantie-uitkering waarop hij als militair aanspraak heeft.