BWBR0001950
Geldig vanaf 2013-12-18
Artikel 70
Algemeen Rijksambtenarenreglement
1. De ambtenaar, die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de <a href="/wet/BWBR0024705" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet publieke gezondheid</a>bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn dienst niet verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen dan met toestemming van het bevoegd gezag, dat deze toestemming slechts kan verlenen na positief medisch advies van de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI.
2. De ambtenaar, die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VIgegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek.
3. Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging.
2. De ambtenaar, die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VIgegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek.
3. Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging.