BWBR0001950
Geldig vanaf 2013-12-18
Artikel 92
Algemeen Rijksambtenarenreglement
1. Tijdens de schorsing kan de bezoldiging voor één derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van zes weken kan een verdere inhouding, ook van het volle bedrag der bezoldiging, plaatsvinden.
Geen inhouding vindt plaats in geval van schorsing in het belang van de dienst, bedoeld in het eerste lid onder <em>c</em>van het vorige artikel, van plaatsing in een krankzinnigengesticht of daarmede gelijk te stellen inrichting dan wel van politiebewaring of inverzekeringstelling als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/57" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering</a>, mits niet gevolgd door inbewaringstelling.
2. De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf of ontslag op grond van artikel 98, eerste lid onder <em>e.</em>Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, welke de ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid, die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks, naar het oordeel van het bevoegde gezag, onredelijk of onbillijk is.
3. Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging van de geschorste ambtenaar kan aan anderen worden uitbetaald.
4. In geval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar wordt onder bezoldiging verstaan, hetgeen daaronder voor de toepassing van hoofdstuk VI wordt verstaan.
Geen inhouding vindt plaats in geval van schorsing in het belang van de dienst, bedoeld in het eerste lid onder <em>c</em>van het vorige artikel, van plaatsing in een krankzinnigengesticht of daarmede gelijk te stellen inrichting dan wel van politiebewaring of inverzekeringstelling als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/57" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering</a>, mits niet gevolgd door inbewaringstelling.
2. De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf of ontslag op grond van artikel 98, eerste lid onder <em>e.</em>Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, welke de ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid, die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks, naar het oordeel van het bevoegde gezag, onredelijk of onbillijk is.
3. Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging van de geschorste ambtenaar kan aan anderen worden uitbetaald.
4. In geval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar wordt onder bezoldiging verstaan, hetgeen daaronder voor de toepassing van hoofdstuk VI wordt verstaan.