BWBR0001950
Geldig vanaf 2013-12-18
Artikel 2
Algemeen Rijksambtenarenreglement
1. Voor de toepassing van dit besluit worden niet als ambtenaren beschouwd:
a. ministers en staatssecretarissen;
b. Commissarissen des Konings;
c. krachtens Grondwet of wet voor hun leven aangestelde ambtenaren;
d. de Nationale ombudsman en substituut-ombudsmannen;
e. burgemeesters;
f. de voorzitter en de leden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid;
g. de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitters van de huurcommissie, bedoeld in artikel 3a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.
2. De hoofdstukken III, IVen Vzijn niet van toepassing op ambtenaren met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen worden voor hen voor elk betrokken dienstvak de nodige bepalingen vastgesteld.
3. Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld, zijn niet van toepassing:
a. hoofdstuk II, paragraaf 4;
b. de artikelen 14 en 16 tot en met 20d;
c. de hoofdstukken IV en V;
d. hoofdstuk VI, paragrafen 2 en 3;
e. de artikelen 33fb, 39, 47 en 48a.
a. ministers en staatssecretarissen;
b. Commissarissen des Konings;
c. krachtens Grondwet of wet voor hun leven aangestelde ambtenaren;
d. de Nationale ombudsman en substituut-ombudsmannen;
e. burgemeesters;
f. de voorzitter en de leden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid;
g. de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitters van de huurcommissie, bedoeld in artikel 3a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.
2. De hoofdstukken III, IVen Vzijn niet van toepassing op ambtenaren met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen worden voor hen voor elk betrokken dienstvak de nodige bepalingen vastgesteld.
3. Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld, zijn niet van toepassing:
a. hoofdstuk II, paragraaf 4;
b. de artikelen 14 en 16 tot en met 20d;
c. de hoofdstukken IV en V;
d. hoofdstuk VI, paragrafen 2 en 3;
e. de artikelen 33fb, 39, 47 en 48a.