BWBR0002541
Geldig vanaf 1967-06-01
Artikel 9
Zaaizaad- en Plantgoedwet
1. De secretaris en adjunct-secretarissen worden benoemd door Onze Minister.
2. Voor benoeming komt in aanmerking degene:
a. aan wie door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of
b. die aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen.
3. De graden, het doctoraat of het recht, bedoeld in het tweede lid, moeten zijn verkregen op grond van het afleggen van een examen aan een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs in het Nederlands burgerlijk recht, handelsrecht, staatsrecht en strafrecht.
3a. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0005682" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek</a>, of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het tweede lid, onderdeel a, gelijk worden gesteld aan de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht. In die algemene maatregel van bestuur kan tevens worden bepaald dat van de exameneisen ten aanzien van bepaalde rechtsgebieden, genoemd in het derde lid, kan worden afgeweken.
2. Voor benoeming komt in aanmerking degene:
a. aan wie door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of
b. die aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen.
3. De graden, het doctoraat of het recht, bedoeld in het tweede lid, moeten zijn verkregen op grond van het afleggen van een examen aan een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs in het Nederlands burgerlijk recht, handelsrecht, staatsrecht en strafrecht.
3a. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0005682" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek</a>, of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het tweede lid, onderdeel a, gelijk worden gesteld aan de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht. In die algemene maatregel van bestuur kan tevens worden bepaald dat van de exameneisen ten aanzien van bepaalde rechtsgebieden, genoemd in het derde lid, kan worden afgeweken.