BWBR0002541
Geldig vanaf 1967-06-01
Artikel 31
Zaaizaad- en Plantgoedwet
1. Indien de persoon, bedoeld in artikel 30, eerste lid, een ras heeft gekweekt of heeft ontdekt en ontwikkeld in het kader van een dienstbetrekking of in het kader van een overeenkomst tot het verrichten van diensten ten behoeve van een ander, anders dan tegen loon, welke dienstbetrekking of overeenkomst met zich meebrengt, dat hij kweek- of ontwikkelingsarbeid verricht met betrekking tot het gewas, waartoe dat ras behoort, komt de aanspraak op verlening van kwekersrecht toe aan de werkgever dan wel opdrachtgever dan wel de rechtverkrijgende van de werkgever of opdrachtgever.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, heeft degene die het ras heeft gekweekt of ontdekt en ontwikkeld, aanspraak op een vergoeding naar billijkheid, tenzij een zodanige vergoeding reeds geacht kan worden begrepen te zijn in het door hem genoten loon of in de door hem genoten voordelen.
3. Elk beding, waarbij van het bepaalde in het tweede lid wordt afgeweken, is nietig.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, heeft degene die het ras heeft gekweekt of ontdekt en ontwikkeld, aanspraak op een vergoeding naar billijkheid, tenzij een zodanige vergoeding reeds geacht kan worden begrepen te zijn in het door hem genoten loon of in de door hem genoten voordelen.
3. Elk beding, waarbij van het bepaalde in het tweede lid wordt afgeweken, is nietig.