BWBR0002541
Geldig vanaf 1967-06-01
Artikel 41
Zaaizaad- en Plantgoedwet
1. Het in artikel 40, eerste lid, bedoelde uitsluitend recht is tevens van toepassing op de in dat lid bedoelde handelingen met betrekking tot materiaal van
a. rassen, die zijn afgeleid van het in artikel 40, eerste lid, bedoelde beschermde ras, tenzij het beschermde ras zelf is afgeleid van een ander ras;
b. rassen die ingevolge het bepaalde in artikel 29 niet duidelijk onderscheidbaar zijn van het beschermde ras;
c. rassen waarvan voor de voortbrenging telkens gebruik moet worden gemaakt van het beschermde ras.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel <em>a</em>, wordt een ras beschouwd als afgeleid van een ander ras indien het hoofdzakelijk is afgeleid van het oorspronkelijke ras dan wel van een ras dat zelf hoofdzakelijk is afgeleid van het oorspronkelijke ras, met behoud van de expressie van de wezenlijke eigenschappen welke het resultaat zijn van een bepaald genotype of combinatie van genotypen van het oorspronkelijke ras.
3. Het eerste lid, onderdeel <em>a</em>, is niet van toepassing op rassen waarvan het bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel algemeen bekend is. Artikel 29, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. De Raad kan op verzoek adviseren omtrent hetzij de vraag of een ras, waarvoor door de Raad kwekersrecht is verleend afgeleid is van een ander ras waarvoor door de Raad kwekersrecht is verleend, hetzij de vraag of een ander, bij het verzoek aan te wijzen ras, is afgeleid van het ras waarvoor het kwekersrecht is verleend. Het advies van de Raad bevat de gronden waarop het rust.
a. rassen, die zijn afgeleid van het in artikel 40, eerste lid, bedoelde beschermde ras, tenzij het beschermde ras zelf is afgeleid van een ander ras;
b. rassen die ingevolge het bepaalde in artikel 29 niet duidelijk onderscheidbaar zijn van het beschermde ras;
c. rassen waarvan voor de voortbrenging telkens gebruik moet worden gemaakt van het beschermde ras.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel <em>a</em>, wordt een ras beschouwd als afgeleid van een ander ras indien het hoofdzakelijk is afgeleid van het oorspronkelijke ras dan wel van een ras dat zelf hoofdzakelijk is afgeleid van het oorspronkelijke ras, met behoud van de expressie van de wezenlijke eigenschappen welke het resultaat zijn van een bepaald genotype of combinatie van genotypen van het oorspronkelijke ras.
3. Het eerste lid, onderdeel <em>a</em>, is niet van toepassing op rassen waarvan het bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel algemeen bekend is. Artikel 29, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. De Raad kan op verzoek adviseren omtrent hetzij de vraag of een ras, waarvoor door de Raad kwekersrecht is verleend afgeleid is van een ander ras waarvoor door de Raad kwekersrecht is verleend, hetzij de vraag of een ander, bij het verzoek aan te wijzen ras, is afgeleid van het ras waarvoor het kwekersrecht is verleend. Het advies van de Raad bevat de gronden waarop het rust.