BWBR0002541
Geldig vanaf 1967-06-01
Artikel 10
Zaaizaad- en Plantgoedwet
1. Onverminderd hetgeen elders is bepaald, worden de voorzitter, vice-voorzitters en de overige leden door Ons ontslagen:
a. bij gebleken ongeschiktheid door ouderdom, door aanhoudende lichaamsziekte of tengevolge van zielsziekte;
b. wanneer zij onder curatele zijn gesteld.
2. Onverminderd hetgeen elders is bepaald, kunnen de in het vorige lid bedoelde personen door Ons worden ontslagen:
a. bij overtreding van de artikelen 11 en 12;
b. wanneer zij in staat van faillissement zijn verklaard, ten aanzien van hen de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, zij surséance van betaling hebben verkregen of wegens schulden gegijzeld zijn.
3. Alvorens het ontslag op grond van het in het vorige lid bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene gehoord, althans behoorlijk opgeroepen.
4. Wanneer zich een der omstandigheden voordoet, als bedoeld in het tweede lid, is Onze Minister bevoegd de betrokkene in de uitoefening van zijn ambt terstond te schorsen; de schorsing mag een termijn van drie maanden niet overschrijden.
Op deze termijn is de <a href="/wet/BWBR0002448" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene termijnenwet</a>niet van toepassing.
a. bij gebleken ongeschiktheid door ouderdom, door aanhoudende lichaamsziekte of tengevolge van zielsziekte;
b. wanneer zij onder curatele zijn gesteld.
2. Onverminderd hetgeen elders is bepaald, kunnen de in het vorige lid bedoelde personen door Ons worden ontslagen:
a. bij overtreding van de artikelen 11 en 12;
b. wanneer zij in staat van faillissement zijn verklaard, ten aanzien van hen de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, zij surséance van betaling hebben verkregen of wegens schulden gegijzeld zijn.
3. Alvorens het ontslag op grond van het in het vorige lid bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene gehoord, althans behoorlijk opgeroepen.
4. Wanneer zich een der omstandigheden voordoet, als bedoeld in het tweede lid, is Onze Minister bevoegd de betrokkene in de uitoefening van zijn ambt terstond te schorsen; de schorsing mag een termijn van drie maanden niet overschrijden.
Op deze termijn is de <a href="/wet/BWBR0002448" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene termijnenwet</a>niet van toepassing.