BWBR0002541
Geldig vanaf 1967-06-01
Artikel 21
Zaaizaad- en Plantgoedwet
1. Bij de aanvrage tot verlening van kwekersrecht en bij de aanvrage als bedoeld in artikel 18, tweede lid, doet de aanvrager een voorstel voor de benaming van het ras.
2. Hij kan ook volstaan met een voorlopige aanduiding. In dat geval is hij verplicht op een nader door de Raad te bepalen tijdstip een voorstel voor de benaming te doen.
3. Het voorstel voor de benaming gaat vergezeld van een akte, inhoudende, dat de aanvrager, ingeval de voorgestelde benaming wordt ingeschreven, afstand doet van de rechten, welke hem in enige Unie-Staat met betrekking tot deze benaming voor gelijke of gelijksoortige waren mochten toekomen.
Van deze akte zendt de Raad afschrift aan het Bureau van de Industriële Eigendom en aan het Bureau van de Unie, zodra de inschrijving van de benaming heeft plaats gevonden.
4. De Raad stelt de voorgestelde benaming of de in artikel 19, derde lid, bedoelde benaming vast, tenzij hij van oordeel is dat artikel 19zich daartegen verzet. In dat geval stelt hij de aanvrager in de gelegenheid een andere benaming voor te stellen.
2. Hij kan ook volstaan met een voorlopige aanduiding. In dat geval is hij verplicht op een nader door de Raad te bepalen tijdstip een voorstel voor de benaming te doen.
3. Het voorstel voor de benaming gaat vergezeld van een akte, inhoudende, dat de aanvrager, ingeval de voorgestelde benaming wordt ingeschreven, afstand doet van de rechten, welke hem in enige Unie-Staat met betrekking tot deze benaming voor gelijke of gelijksoortige waren mochten toekomen.
Van deze akte zendt de Raad afschrift aan het Bureau van de Industriële Eigendom en aan het Bureau van de Unie, zodra de inschrijving van de benaming heeft plaats gevonden.
4. De Raad stelt de voorgestelde benaming of de in artikel 19, derde lid, bedoelde benaming vast, tenzij hij van oordeel is dat artikel 19zich daartegen verzet. In dat geval stelt hij de aanvrager in de gelegenheid een andere benaming voor te stellen.