BWBR0002541
Geldig vanaf 1967-06-01
Artikel 36a
Zaaizaad- en Plantgoedwet
1. De houder van een kwekersrecht kan een redelijke vergoeding vorderen van hem, die in de periode gelegen tussen de aanvrage van het kwekersrecht en de verlening van het kwekersrecht overeenkomstig artikel 37, handelingen als bedoeld in artikel 40heeft verricht met betrekking tot het ras, waarvoor kwekersrecht is aangevraagd.
2. De vergoeding is alleen verschuldigd voor handelingen die zijn verricht na afloop van dertig dagen, nadat de betrokkene bij deurwaardersexploit is gewezen op de krachtens dit artikel aan de houder van een kwekersrecht toekomende aanspraak.
3. Bij het deurwaardersexploit wordt een door de Raad gewaarmerkt afschrift gevoegd van de ter zake van de aanvraag ingediende bescheiden dan wel van passages daaruit, voor zover zij uitsluitend betrekking hebben op de kenmerken van het ras waarvoor de aanvrage is ingediend en op de aanduiding van de eigenschappen waardoor het zich van andere rassen onderscheidt. Daartoe wordt niet gerekend de weergave van de totstandkoming van het ras of van de genealogische bestanddelen.
4. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op handelingen verricht door diegene, die daartoe is gerechtigd krachtens een overeenkomst met degene aan wie overeenkomstig artikel 30of 31de aanspraak op verlening van het kwekersrecht toekomt.
2. De vergoeding is alleen verschuldigd voor handelingen die zijn verricht na afloop van dertig dagen, nadat de betrokkene bij deurwaardersexploit is gewezen op de krachtens dit artikel aan de houder van een kwekersrecht toekomende aanspraak.
3. Bij het deurwaardersexploit wordt een door de Raad gewaarmerkt afschrift gevoegd van de ter zake van de aanvraag ingediende bescheiden dan wel van passages daaruit, voor zover zij uitsluitend betrekking hebben op de kenmerken van het ras waarvoor de aanvrage is ingediend en op de aanduiding van de eigenschappen waardoor het zich van andere rassen onderscheidt. Daartoe wordt niet gerekend de weergave van de totstandkoming van het ras of van de genealogische bestanddelen.
4. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op handelingen verricht door diegene, die daartoe is gerechtigd krachtens een overeenkomst met degene aan wie overeenkomstig artikel 30of 31de aanspraak op verlening van het kwekersrecht toekomt.