BWBR0002541
Geldig vanaf 1967-06-01
Artikel 3
Zaaizaad- en Plantgoedwet
1. Waar in deze wet wordt gesproken van landbouwgewassen, worden daaronder mede begrepen:
a. blauwmaanzaad (Papaver somniferum L.), gele mosterd (Sinapis alba L.), karwij (Carum carvi L.) en witte klaver (Trifolium repens L.);
b. de rassen van erwt (Pisum Sativum L.), mais (Zea mays L.), raap (Brassica campestris L. var. rapa (L.) Hartm.), ramenas (Raphanus sativus L. var. niger (Mill.) Pers.), stamboon (Phaseolus vulgaris L.) en wortel (Daucus carota L.), welke niet ingevolge het tweede lid onder de tuinbouwgewassen worden begrepen.
2. Waar in deze wet wordt gesproken van tuinbouwgewassen worden daaronder mede begrepen:
a. van erwt de rassen, welke in aanmerking komen om uitsluitend of overwegend te worden geteeld om vers te worden geoogst voor menselijke consumptie;
b. van mais de rassen van pofmais en suikermais;
c. van raap en ramenas de rassen, welke in aanmerking komen om uitsluitend of overwegend te worden geteeld voor menselijke consumptie;
d. van stamboon de rassen, welke in aanmerking komen om uitsluitend of overwegend te worden geteeld om vers te worden geoogst;
e. van wortel de rassen van rode wortel.
3. Voorts worden onder de tuinbouwgewassen begrepen:
a. de rassen van landbouwgewassen, welke in aanmerking komen om uitsluitend of overwegend voor sierdoeleinden te worden geteeld;
b. de bosbouwgewassen.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van andere dan in de vorige leden genoemde cultuurgewassen, rassen of groepen van rassen worden bepaald, dat zij voor de toepassing van deze wet als landbouwgewas dan wel als tuinbouwgewas worden beschouwd.
a. blauwmaanzaad (Papaver somniferum L.), gele mosterd (Sinapis alba L.), karwij (Carum carvi L.) en witte klaver (Trifolium repens L.);
b. de rassen van erwt (Pisum Sativum L.), mais (Zea mays L.), raap (Brassica campestris L. var. rapa (L.) Hartm.), ramenas (Raphanus sativus L. var. niger (Mill.) Pers.), stamboon (Phaseolus vulgaris L.) en wortel (Daucus carota L.), welke niet ingevolge het tweede lid onder de tuinbouwgewassen worden begrepen.
2. Waar in deze wet wordt gesproken van tuinbouwgewassen worden daaronder mede begrepen:
a. van erwt de rassen, welke in aanmerking komen om uitsluitend of overwegend te worden geteeld om vers te worden geoogst voor menselijke consumptie;
b. van mais de rassen van pofmais en suikermais;
c. van raap en ramenas de rassen, welke in aanmerking komen om uitsluitend of overwegend te worden geteeld voor menselijke consumptie;
d. van stamboon de rassen, welke in aanmerking komen om uitsluitend of overwegend te worden geteeld om vers te worden geoogst;
e. van wortel de rassen van rode wortel.
3. Voorts worden onder de tuinbouwgewassen begrepen:
a. de rassen van landbouwgewassen, welke in aanmerking komen om uitsluitend of overwegend voor sierdoeleinden te worden geteeld;
b. de bosbouwgewassen.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van andere dan in de vorige leden genoemde cultuurgewassen, rassen of groepen van rassen worden bepaald, dat zij voor de toepassing van deze wet als landbouwgewas dan wel als tuinbouwgewas worden beschouwd.