BWBR0002541
Geldig vanaf 1967-06-01
Artikel 30
Zaaizaad- en Plantgoedwet
1. De aanspraak op verlening van kwekersrecht komt toe aan degene die een ras door eigen arbeid heeft gekweekt of heeft ontdekt en ontwikkeld dan wel diens rechtverkrijgende.
2. Indien het ras buiten Nederland hetzij door een natuurlijke persoon, die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, hetzij door een rechtspersoon zonder zetel in Nederland, is gekweekt of ontdekt en ontwikkeld, bestaat gelijke aanspraak op verlening van kwekersrecht voor zover Nederland krachtens een internationale overeenkomst gehouden is kwekersrecht te verlenen.
3. Indien een ras buiten Nederland is gekweekt of ontdekt en ontwikkeld, terwijl de in het tweede lid bedoelde gehoudenheid niet bestaat, kan voor het ras kwekersrecht worden verleend, indien Onze Minister van oordeel is, dat die verlening in het belang is van de bodemcultuur in Nederland. Onze Minister kan aan de verlening voorschriften verbinden en hij kan de aan de kweker ingevolge deze wet toekomende rechten in omvang beperken.
2. Indien het ras buiten Nederland hetzij door een natuurlijke persoon, die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, hetzij door een rechtspersoon zonder zetel in Nederland, is gekweekt of ontdekt en ontwikkeld, bestaat gelijke aanspraak op verlening van kwekersrecht voor zover Nederland krachtens een internationale overeenkomst gehouden is kwekersrecht te verlenen.
3. Indien een ras buiten Nederland is gekweekt of ontdekt en ontwikkeld, terwijl de in het tweede lid bedoelde gehoudenheid niet bestaat, kan voor het ras kwekersrecht worden verleend, indien Onze Minister van oordeel is, dat die verlening in het belang is van de bodemcultuur in Nederland. Onze Minister kan aan de verlening voorschriften verbinden en hij kan de aan de kweker ingevolge deze wet toekomende rechten in omvang beperken.