BWBR0032386
Geldig vanaf 2021-03-24
Artikel 2.20
Besluit diergeneesmiddelen
1. Onze Minister kan om te komen tot een beperking van indicaties of beschikbaarheid, wijziging van dosering of toevoeging van een contra-indicatie of voorzorgsmaatregel, de voorschriften bij een vergunning ambtshalve wijzigen of de vergunning, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, schorsen, indien hij een ernstig vermoeden heeft dat de voorschriften, bedoeld in de artikelen 2.13of 2.14, niet worden nageleefd, het diergeneesmiddel niet voldoet aan artikel 2.19, tweede en derde lid, van de wetof hiervan is gebleken na de ontvangst van informatie als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid. Het Bureau, de andere lidstaten en de houder van de vergunning worden onmiddellijk in kennis gesteld.
2. De vergunning wordt niet geschorst of gewijzigd dan nadat:
a. een verzoek van de Europese Commissie tot het nemen van tijdelijke maatregelen is ontvangen, of
b. een EU-besluit is genomen na een procedure als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid.
3. In afwijking van het tweede lid kan een vergunning worden geschorst, indien er sprake is van:
a. een noodgeval met betrekking tot bescherming van de gezondheid van mens of dier en het Bureau, de Europese Commissie en de andere EER-lidstaten daarvan uiterlijk op de volgende werkdag in kennis worden gesteld;
b. een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, of
c. een ander geval waarin de artikelen 2.24 en 2.25 niet van toepassing zijn, waaronder een geval als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van Richtlijn 2001/82/EG.
4. Onze Minister stelt de Europese Commissie op de hoogte van toepassing van artikel 71, eerste lid, van Richtlijn 2001/82/EGals bedoeld in het derde lid, onder c.
2. De vergunning wordt niet geschorst of gewijzigd dan nadat:
a. een verzoek van de Europese Commissie tot het nemen van tijdelijke maatregelen is ontvangen, of
b. een EU-besluit is genomen na een procedure als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid.
3. In afwijking van het tweede lid kan een vergunning worden geschorst, indien er sprake is van:
a. een noodgeval met betrekking tot bescherming van de gezondheid van mens of dier en het Bureau, de Europese Commissie en de andere EER-lidstaten daarvan uiterlijk op de volgende werkdag in kennis worden gesteld;
b. een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, of
c. een ander geval waarin de artikelen 2.24 en 2.25 niet van toepassing zijn, waaronder een geval als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van Richtlijn 2001/82/EG.
4. Onze Minister stelt de Europese Commissie op de hoogte van toepassing van artikel 71, eerste lid, van Richtlijn 2001/82/EGals bedoeld in het derde lid, onder c.