BWBR0032386
Geldig vanaf 2021-03-24
Artikel 2.14
Besluit diergeneesmiddelen
1. De door Onze Minster aan een vergunning te verbinden voorschriften, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, hebben betrekking op:
a. de toepassing, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, aanhef, van de wet, van het diergeneesmiddel in verband met: 1°. de gestelde werking, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet;
2°. het voorkomen van gevaren, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet;
3°. de eigenschappen, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel b, van de wet;
4°. de richtsnoeren en beginselen, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel f, van de wet;
1°. de gestelde werking, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet;
2°. het voorkomen van gevaren, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet;
3°. de eigenschappen, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel b, van de wet;
4°. de richtsnoeren en beginselen, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel f, van de wet;
b. de verpakking en informatie op, bij of in de verpakking als bedoeld in artikel 2.13, onderdeel a, en
c. de procedures die in verband met de veiligheid van het diergeneesmiddel in uitzonderlijke omstandigheden kunnen gelden, en kunnen inhouden dat: 1°. aan Onze Minister informatie wordt verstrekt over incidenten in verband met de toepassing en de te nemen maatregelen, en
2°. de voorschriften bij de vergunning die betrekking hebben op deze procedures jaarlijks worden herbeoordeeld.
1°. aan Onze Minister informatie wordt verstrekt over incidenten in verband met de toepassing en de te nemen maatregelen, en
2°. de voorschriften bij de vergunning die betrekking hebben op deze procedures jaarlijks worden herbeoordeeld.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin en de wijze waarop voorschriften als bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld.
a. de toepassing, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, aanhef, van de wet, van het diergeneesmiddel in verband met: 1°. de gestelde werking, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet;
2°. het voorkomen van gevaren, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet;
3°. de eigenschappen, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel b, van de wet;
4°. de richtsnoeren en beginselen, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel f, van de wet;
1°. de gestelde werking, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet;
2°. het voorkomen van gevaren, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet;
3°. de eigenschappen, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel b, van de wet;
4°. de richtsnoeren en beginselen, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel f, van de wet;
b. de verpakking en informatie op, bij of in de verpakking als bedoeld in artikel 2.13, onderdeel a, en
c. de procedures die in verband met de veiligheid van het diergeneesmiddel in uitzonderlijke omstandigheden kunnen gelden, en kunnen inhouden dat: 1°. aan Onze Minister informatie wordt verstrekt over incidenten in verband met de toepassing en de te nemen maatregelen, en
2°. de voorschriften bij de vergunning die betrekking hebben op deze procedures jaarlijks worden herbeoordeeld.
1°. aan Onze Minister informatie wordt verstrekt over incidenten in verband met de toepassing en de te nemen maatregelen, en
2°. de voorschriften bij de vergunning die betrekking hebben op deze procedures jaarlijks worden herbeoordeeld.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin en de wijze waarop voorschriften als bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld.