BWBR0009487
Geldig vanaf 1998-03-29
Artikel 9
Regeling voorbereiding en uitvoering verkeersvluchten, uitgezonderd rondvluchten
1. Het vliegtuig moet tijdens een IFR-vlucht ten minste zijn voorzien van de volgende instrumenten:
a. een gyroscopische bochtaanwijzer gecombineerd met een instrument, dat een versnelling langs de dwarsas van het vliegtuig aangeeft;
b. een gyroscopische dwars- en langshellingaanwijzer (kunstmatige horizon);
c. een gyroscopische koersaanwijzer (koerstol);
d. middelen, welke aangeven of de energievoorziening van de gyroscopische instrumenten, voldoende is;
e. twee gevoelige drukhoogtemeters of één gevoelige drukhoogtemeter en een gevoelige hoogtemeter van een willekeurig type;
f. een buitenluchtthermometer;
g. een klok met een centraal bevestigde secondewijzer;
h. een snelheidsmeter voorzien van een inrichting ter voorkoming van slechte werking als gevolg van condensatie of ijsafzetting;
i. een stijgsnelheidsmeter.
2. De in het vorige lid genoemde instrumenten moeten voor het gebruik door elk van de bestuurders van het vliegtuig zodanig zijn afgesteld, dat zij de instrumenten van hun zitplaats af gemakkelijk en met een zo klein mogelijke afwijking van de positie, houding en gezichtslijn, welke zij gewoonlijk innemen, wanneer zij vooruit kijken in de richting van de vliegbaan, kunnen zien.
3. In vliegtuigen, waarvan de maximaal toegelaten totaalmassa meer dan 5700 kg bedraagt, mag het in het eerste lid, onder a, genoemde instrument, voor zover het de gyroscopische bochtaanwijzer betreft, achterwege blijven, indien het vliegtuig is voorzien van een extra instrument, als genoemd in het eerste lid, onder b, dat in elke stand van het vliegtuig een betrouwbare aanwijzing geeft en waarvan de voeding niet afhankelijk is van de werking van de elektrische boordinstallatie.
4. Aan het bepaalde in het eerste lid, onder g, wordt geacht te zijn voldaan, indien de bestuurder van het vliegtuig een uurwerk met een centraal bevestigde secondewijzer bij zich heeft.
a. een gyroscopische bochtaanwijzer gecombineerd met een instrument, dat een versnelling langs de dwarsas van het vliegtuig aangeeft;
b. een gyroscopische dwars- en langshellingaanwijzer (kunstmatige horizon);
c. een gyroscopische koersaanwijzer (koerstol);
d. middelen, welke aangeven of de energievoorziening van de gyroscopische instrumenten, voldoende is;
e. twee gevoelige drukhoogtemeters of één gevoelige drukhoogtemeter en een gevoelige hoogtemeter van een willekeurig type;
f. een buitenluchtthermometer;
g. een klok met een centraal bevestigde secondewijzer;
h. een snelheidsmeter voorzien van een inrichting ter voorkoming van slechte werking als gevolg van condensatie of ijsafzetting;
i. een stijgsnelheidsmeter.
2. De in het vorige lid genoemde instrumenten moeten voor het gebruik door elk van de bestuurders van het vliegtuig zodanig zijn afgesteld, dat zij de instrumenten van hun zitplaats af gemakkelijk en met een zo klein mogelijke afwijking van de positie, houding en gezichtslijn, welke zij gewoonlijk innemen, wanneer zij vooruit kijken in de richting van de vliegbaan, kunnen zien.
3. In vliegtuigen, waarvan de maximaal toegelaten totaalmassa meer dan 5700 kg bedraagt, mag het in het eerste lid, onder a, genoemde instrument, voor zover het de gyroscopische bochtaanwijzer betreft, achterwege blijven, indien het vliegtuig is voorzien van een extra instrument, als genoemd in het eerste lid, onder b, dat in elke stand van het vliegtuig een betrouwbare aanwijzing geeft en waarvan de voeding niet afhankelijk is van de werking van de elektrische boordinstallatie.
4. Aan het bepaalde in het eerste lid, onder g, wordt geacht te zijn voldaan, indien de bestuurder van het vliegtuig een uurwerk met een centraal bevestigde secondewijzer bij zich heeft.