BWBR0009487
Geldig vanaf 1998-03-29
Artikel 3
Regeling voorbereiding en uitvoering verkeersvluchten, uitgezonderd rondvluchten
1. Vóór de aanvang van de vlucht met een vleugelvliegtuig moet de gezagvoerder en, indien bij het toezicht op de vlucht een vluchtadviseur is betrokken, mede deze vluchtadviseur een navigatieplan goedkeuren en ondertekenen en dit vervolgens op de plaats van vertrek bij de ondernemer of diens vertegenwoordiger deponeren, dan wel, indien dit laatste niet mogelijk is, bij de luchthavenautoriteiten of op een andere daartoe geschikte plaats. Uit dit navigatieplan moet blijken, dat de vlucht veilig kan plaatsvinden en dat aan het bepaalde in de artikelen 4, 7en 18is voldaan.
2. In het navigatieplan voor een vleugelvliegtuig moet ten minste één uitwijkhaven worden aangegeven, tenzij:
a. de vluchtduur en de heersende weersomstandigheden zodanig zijn, dat er een redelijke zekerheid bestaat dat op de verwachte tijd van aankomst op de bestemmingshaven en gedurende een redelijke periode voor en na die tijd de naderingsvlucht en landing gemaakt zullen kunnen worden onder zicht-weersomstandigheden; of
b. de bestemmingshaven geïsoleerd ligt en geen bruikbare uitwijkhaven beschikbaar is.
3. Tenzij de gegevens zijn opgenomen in het vluchthandboek, moet voor een vlucht met een vleugelvliegtuig in het ongeregelde luchtvervoer in het navigatieplan worden aangegeven:
a. de laagste hoogten, waarop de vlucht veilig kan worden uitgevoerd;
b. de weerminima voor de te gebruiken luchtvaartterreinen alsmede voor de aangegeven uitwijkhavens.
4. Vóór de aanvang van de vlucht of serie vluchten met een hefschroefvliegtuig moet de gezagvoerder een op die vlucht of vluchten betrekking hebbend navigatieplan goedkeuren en ondertekenen en dit vervolgens op de plaats van vertrek bij de ondernemer of diens vertegenwoordiger deponeren, dan wel, indien dit laatste niet mogelijk is, op een andere, bij de ondernemer bekende, daartoe geschikte plaats.
Uit dit navigatieplan moet blijken dat de vlucht veilig kan plaatsvinden en dat aan het bepaalde in de artikelen 4en 7is voldaan.
5. In het navigatieplan voor een hefschroefvliegtuig moet ten minste één uitwijkplaats worden aangegeven bij:
a. VFR-vluchten naar een in zee gelegen bestemming, tenzij het zicht gedurende de gehele vlucht 1½ km of meer zal bedragen;
b. IFR-vluchten, tenzij de vluchtduur en de weersomstandigheden zodanig zijn, dat er een redelijke zekerheid bestaat dat op de te verwachten tijd van aankomst op de plaats van bestemming en gedurende een redelijke periode voor en na die tijd, de naderingsvlucht en de landing visueel zullen kunnen worden uitgevoerd en het zicht 1½ km of meer zal bedragen.
6. Tenzij de gegevens zijn opgenomen in het vluchthandboek, moet voor een IFR-vlucht met een hefschroefvliegtuig in het navigatieplan worden aangegeven:
a. de laagste hoogten, waarop de vlucht veilig kan worden uitgevoerd;
b. de weerminima voor de te gebruiken landings- en uitwijkplaatsen.
2. In het navigatieplan voor een vleugelvliegtuig moet ten minste één uitwijkhaven worden aangegeven, tenzij:
a. de vluchtduur en de heersende weersomstandigheden zodanig zijn, dat er een redelijke zekerheid bestaat dat op de verwachte tijd van aankomst op de bestemmingshaven en gedurende een redelijke periode voor en na die tijd de naderingsvlucht en landing gemaakt zullen kunnen worden onder zicht-weersomstandigheden; of
b. de bestemmingshaven geïsoleerd ligt en geen bruikbare uitwijkhaven beschikbaar is.
3. Tenzij de gegevens zijn opgenomen in het vluchthandboek, moet voor een vlucht met een vleugelvliegtuig in het ongeregelde luchtvervoer in het navigatieplan worden aangegeven:
a. de laagste hoogten, waarop de vlucht veilig kan worden uitgevoerd;
b. de weerminima voor de te gebruiken luchtvaartterreinen alsmede voor de aangegeven uitwijkhavens.
4. Vóór de aanvang van de vlucht of serie vluchten met een hefschroefvliegtuig moet de gezagvoerder een op die vlucht of vluchten betrekking hebbend navigatieplan goedkeuren en ondertekenen en dit vervolgens op de plaats van vertrek bij de ondernemer of diens vertegenwoordiger deponeren, dan wel, indien dit laatste niet mogelijk is, op een andere, bij de ondernemer bekende, daartoe geschikte plaats.
Uit dit navigatieplan moet blijken dat de vlucht veilig kan plaatsvinden en dat aan het bepaalde in de artikelen 4en 7is voldaan.
5. In het navigatieplan voor een hefschroefvliegtuig moet ten minste één uitwijkplaats worden aangegeven bij:
a. VFR-vluchten naar een in zee gelegen bestemming, tenzij het zicht gedurende de gehele vlucht 1½ km of meer zal bedragen;
b. IFR-vluchten, tenzij de vluchtduur en de weersomstandigheden zodanig zijn, dat er een redelijke zekerheid bestaat dat op de te verwachten tijd van aankomst op de plaats van bestemming en gedurende een redelijke periode voor en na die tijd, de naderingsvlucht en de landing visueel zullen kunnen worden uitgevoerd en het zicht 1½ km of meer zal bedragen.
6. Tenzij de gegevens zijn opgenomen in het vluchthandboek, moet voor een IFR-vlucht met een hefschroefvliegtuig in het navigatieplan worden aangegeven:
a. de laagste hoogten, waarop de vlucht veilig kan worden uitgevoerd;
b. de weerminima voor de te gebruiken landings- en uitwijkplaatsen.