BWBR0009487
Geldig vanaf 1998-03-29
Artikel 36
Regeling voorbereiding en uitvoering verkeersvluchten, uitgezonderd rondvluchten
1. De ondernemer kan de laagste hoogten, waarop de vlucht boven het grondgebied van een Staat mag worden uitgevoerd, vaststellen. Deze hoogten mogen niet lager zijn dan die, welke zijn vastgesteld door het bevoegde gezag van de Staat, over welks gebied de vlucht voert, tenzij dit gezag een zodanige afwijking uitdrukkelijk heeft goedgevonden.
2. Indien de laagste hoogten, waarop de vlucht boven het grondgebied van een Staat mag worden uitgevoerd, niet zijn vastgesteld door het bevoegde gezag van die Staat, is de ondernemer verplicht:
a. voor wat betreft vluchten in het geregelde luchtvervoer die hoogten vast te stellen; deze mogen niet lager zijn dan die, welke krachtens Bijlage 2 van het Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart van toepassing zijn op IFR-vluchten;
b. voor wat betreft vluchten in het ongeregelde luchtvervoer de methode aan te geven welke hij voornemens is toe te passen bij de vaststelling van die laagste hoogten en deze methode op te nemen in het vluchthandboek. De volgens genoemde methode vastgestelde hoogten mogen niet lager zijn dan die, welke krachtens Bijlage 2 van het Verdrag inzake de interantionale burgerlijke luchtvaart van toepassing zijn op IFR-vluchten.
2. Indien de laagste hoogten, waarop de vlucht boven het grondgebied van een Staat mag worden uitgevoerd, niet zijn vastgesteld door het bevoegde gezag van die Staat, is de ondernemer verplicht:
a. voor wat betreft vluchten in het geregelde luchtvervoer die hoogten vast te stellen; deze mogen niet lager zijn dan die, welke krachtens Bijlage 2 van het Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart van toepassing zijn op IFR-vluchten;
b. voor wat betreft vluchten in het ongeregelde luchtvervoer de methode aan te geven welke hij voornemens is toe te passen bij de vaststelling van die laagste hoogten en deze methode op te nemen in het vluchthandboek. De volgens genoemde methode vastgestelde hoogten mogen niet lager zijn dan die, welke krachtens Bijlage 2 van het Verdrag inzake de interantionale burgerlijke luchtvaart van toepassing zijn op IFR-vluchten.