BWBR0009487
Geldig vanaf 1998-03-29
Artikel 43
Regeling voorbereiding en uitvoering verkeersvluchten, uitgezonderd rondvluchten
1. De ondernemer is verplicht een grond- en vliegtrainingsprogramma op te stellen en uit te voeren, teneinde te verzekeren dat elk lid van de bemanning voldoende geoefend is en blijft om de hem toegewezen taken uit te voeren.
2. De ondernemer is verplicht om hiertoe ter beschikking te stellen;
a. doelmatige leermiddelen
b. materieel waarop kan worden geoefend, en
c. bekwame instructeurs.
3. Het trainingsprogramma moet bestaan uit grond- en vliegtraining op de vliegtuigtypen, waarop het bemanningslid dienst doet en moet omvatten:
a. samenwerking tussen bemanningsleden;
b. oefening in alle soorten noodsituaties en andere abnormale situaties;
c. oefening in de noodzakelijke procedures bij het niet goed functioneren van voortstuwingsinrichtingen, vliegtuigonderdelen of systemen;
d. oefening in de noodzakelijke procedures bij brand en andere onregelmatigheden.
4. De training dient te waarborgen dat elk lid van de bemanning, speciaal voor wat betreft noodsituaties en andere abnormale situaties, bekend is met de taken waarvoor hij verantwoordelijk is, en het verband kent tussen deze taken en die van de andere bemanningsleden. De training volgens het programma moet periodiek worden gegeven en moet om de bekwaamheid vast te stellen, worden afgesloten met een examen, voor zover de bekwaamheid niet reeds bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 39is gebleken.
5. Indien voor een examen als bedoeld in het vorige lid, dan wel een onderzoek als bedoeld in artikel 39, gebruik wordt gemaakt van een vluchtnabootser, is die vluchtnabootser gekwalificeerd en opgenomen in het trainingsprogramma.
2. De ondernemer is verplicht om hiertoe ter beschikking te stellen;
a. doelmatige leermiddelen
b. materieel waarop kan worden geoefend, en
c. bekwame instructeurs.
3. Het trainingsprogramma moet bestaan uit grond- en vliegtraining op de vliegtuigtypen, waarop het bemanningslid dienst doet en moet omvatten:
a. samenwerking tussen bemanningsleden;
b. oefening in alle soorten noodsituaties en andere abnormale situaties;
c. oefening in de noodzakelijke procedures bij het niet goed functioneren van voortstuwingsinrichtingen, vliegtuigonderdelen of systemen;
d. oefening in de noodzakelijke procedures bij brand en andere onregelmatigheden.
4. De training dient te waarborgen dat elk lid van de bemanning, speciaal voor wat betreft noodsituaties en andere abnormale situaties, bekend is met de taken waarvoor hij verantwoordelijk is, en het verband kent tussen deze taken en die van de andere bemanningsleden. De training volgens het programma moet periodiek worden gegeven en moet om de bekwaamheid vast te stellen, worden afgesloten met een examen, voor zover de bekwaamheid niet reeds bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 39is gebleken.
5. Indien voor een examen als bedoeld in het vorige lid, dan wel een onderzoek als bedoeld in artikel 39, gebruik wordt gemaakt van een vluchtnabootser, is die vluchtnabootser gekwalificeerd en opgenomen in het trainingsprogramma.