BWBR0009487
Geldig vanaf 1998-03-29
Artikel 17
Regeling voorbereiding en uitvoering verkeersvluchten, uitgezonderd rondvluchten
1. Bij een vlucht, uit te voeren op hoogten, waar de atmosferische druk in de personenafdelingen lager zal zijn dan 700 mb, moet het vliegtuig zijn uitgerust met een installatie voor de opslag en het toedienen van ademhalingszuurstof en moet een hoeveelheid ademhalingszuurstof aan boord aanwezig zijn, voldoende om:
a. de leden van het boordpersoneel en 10% van het aantal passagiers steeds van zuurstof te voorzien, nadat de druk in de door hen te gebruiken compartimenten gedurende 30 minuten tussen 700 en 620 mb zal zijn geweest, zolang de druk tussen deze grenzen gehandhaafd zal blijven, en
b. de leden van het boordpersoneel en de passagiers van zuurstof te voorzien in elke periode, dat de druk in de door hen te gebruiken compartimenten lager zal zijn dan 620 mb.
2. Bij een vlucht, uit te voeren op hoogte, waar de atmosferische druk lager zal zijn dan 700 mb, met een vliegtuig, dat is voorzien van een drukkajuit, moet het vliegtuig zijn uitgerust met een installatie voor de opslag en het toedienen van ademhalingszuurstof. Voorts moet een hoeveelheid ademhalingszuurstof aan boord aanwezig zijn, voldoende om alle leden van het boordpersoneel en zulk een aantal van de passagiers, als passend is bij de omstandigheden van de uit te voeren vlucht, bij verlies van overdruk van zuurstof te voorzien, in elke periode, dat de druk in enig door hen te gebruiken compartiment lager zal zijn dan 700 mb.
3. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 50moet bij een vlucht, uit te voeren op hoogten, waar de atmosferische druk lager zal zijn dan 376 mb, een vliegtuig, dat is voorzien van een drukkajuit, zijn uitgerust met een inrichting, welke waarschuwt bij elk gevaarlijk verlies van overdruk.
4. Alle leden van de bemanning van vliegtuigen, voorzien van een drukkajuit, waarmede op hoogten wordt gevlogen waar de atmosferische druk lager is dan 376 mb, moeten op hun post in de stuurhut de beschikking hebben over een masker van een soort, dat het onmiddellijk gebruik van zuurstof mogelijk maakt.
a. de leden van het boordpersoneel en 10% van het aantal passagiers steeds van zuurstof te voorzien, nadat de druk in de door hen te gebruiken compartimenten gedurende 30 minuten tussen 700 en 620 mb zal zijn geweest, zolang de druk tussen deze grenzen gehandhaafd zal blijven, en
b. de leden van het boordpersoneel en de passagiers van zuurstof te voorzien in elke periode, dat de druk in de door hen te gebruiken compartimenten lager zal zijn dan 620 mb.
2. Bij een vlucht, uit te voeren op hoogte, waar de atmosferische druk lager zal zijn dan 700 mb, met een vliegtuig, dat is voorzien van een drukkajuit, moet het vliegtuig zijn uitgerust met een installatie voor de opslag en het toedienen van ademhalingszuurstof. Voorts moet een hoeveelheid ademhalingszuurstof aan boord aanwezig zijn, voldoende om alle leden van het boordpersoneel en zulk een aantal van de passagiers, als passend is bij de omstandigheden van de uit te voeren vlucht, bij verlies van overdruk van zuurstof te voorzien, in elke periode, dat de druk in enig door hen te gebruiken compartiment lager zal zijn dan 700 mb.
3. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 50moet bij een vlucht, uit te voeren op hoogten, waar de atmosferische druk lager zal zijn dan 376 mb, een vliegtuig, dat is voorzien van een drukkajuit, zijn uitgerust met een inrichting, welke waarschuwt bij elk gevaarlijk verlies van overdruk.
4. Alle leden van de bemanning van vliegtuigen, voorzien van een drukkajuit, waarmede op hoogten wordt gevlogen waar de atmosferische druk lager is dan 376 mb, moeten op hun post in de stuurhut de beschikking hebben over een masker van een soort, dat het onmiddellijk gebruik van zuurstof mogelijk maakt.