BWBR0009487
Geldig vanaf 1998-03-29
Artikel 20
Regeling voorbereiding en uitvoering verkeersvluchten, uitgezonderd rondvluchten
1. Aan boord van een watervleugelvliegtuig moet bij elke vlucht aanwezig zijn:
a. voor iedere inzittende een zwemvest of daarmee gelijk te stellen middel om een persoon drijvende te houden, hetwelk zodanig moet zijn opgeborgen, dat de inzittende het van zijn zit- of ligplaats af gemakkelijk kan grijpen. Bovendien moet een extra aantal zwemvesten of vorenbedoelde middelen aan boord nabij de uitgangen aanwezig zijn, dat ten minste gelijk is aan een vijfde van het aantal inzittenden. Zij moeten gemakkelijk te grijpen zijn;
b. een drijfanker.
2. Aan boord van een watervleugelvliegtuig moet bij een vlucht boven volle zee de uitrusting aanwezig zijn voor het geven van de geluidsseinen, als bedoeld in de Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee (Stb. 1963, 27);
3. Aan boord van:
a. elk landvleugelvliegtuig, dat op een afstand van meer dan 50 zeemijlen uit de kust vliegt en een zodanige startmassa heeft, dat na het uitvallen van een willekeurige motor op een willekeurig punt van de route of van de in het navigatieplan voorziene afwijkingen daarvan, waarbij het vliegtuig in de kruisvluchtconfiguratie is en de in werking blijvende motoren ten hoogste het maximaal duurvermogen leveren, de vlucht kan worden voortgezet naar een geschikt luchtvaartterrein en een veilige landing op dat terrein kan worden uitgevoerd, en
b. elk ander landvleugelvliegtuig, dat zich, tijdens kruisvlucht, buiten zweefafstand uit de kust bevindt, en
c. elk landvleugelvliegtuig, dat wordt gebruikt op een luchtvaartterrein, dat zodanig is gelegen dat overvliegen van een watervlakte gedurende start of landing niet kan worden vermeden, moet voor iedere inzittende een zwemvest of daarmee gelijk te stellen middel om een persoon drijvende te houden aanwezig zijn, hetwelk zodanig bij de zit- of ligplaats van iedere inzittende moet zijn opgeborgen, dat het gemakkelijk kan worden gegrepen.
4. Het in het eerste en derde lid bedoelde zwemvest of daarmee gelijk te stellen middel moet doelmatig en in gebruikgerede conditie verkeren. Het middel moet zijn voorzien van elektrische verlichting, behalve wanneer aan het gestelde in het vorige lid onder c wordt voldaan door het meevoeren van andere middelen dan zwemvesten.
5. Aan boord van het vleugelvliegtuig dat wordt gebruik op een route, waarbij het zich boven water zal bevinden en op een grotere afstand van land, dat geschikt is voor het uitvoeren van een noodlanding dan in het volgende lid is aangegeven, moeten behalve de ingevolge de vorige leden vereiste uitrusting bovendien aanwezig zijn:
a. een voldoend aantal reddingsvlotten om alle inzittenden te kunnen bevatten. Deze reddingsvlotten moeten zodanig zijn opgeborgen, dat zij in een noodgeval snel voor gebruik gereed zijn. Zij moeten zijn voorzien van reddingsmiddelen en middelen om de inzittenden in het leven te houden, aangepast aan het gebied, waarover gevlogen zal worden en van uitrusting voor het geven van de bij of krachtens het Luchtverkeersreglement voorgeschreven noodseinen;
b. ten minste twee doelmatige, op VHF werkende, radiotoestellen. Deze toestellen moeten zodanig zijn opgeborgen, dat het gebruik in noodgevallen zo snel mogelijk kan geschieden. Zij moeten draagbaar en waterbestendig zijn, zelfstandig kunnen drijven en onafhankelijk van de elektrische boordinstallatie en verwijderd van het vliegtuig kunnen worden bediend door ongeoefende personen.
6. De in het vorige lid bedoelde afstand is de kleinste van de volgende twee afstanden:
a. 400 zeemijlen;
b. 120 minuten vliegen bij kruissnelheid.
De evengenoemde 400 zeemijlen en 120 minuten kunnen door de Minister van Verkeer en Waterstaat worden verminderd tot 100 zeemijlen en 30 minuten.
7. Aan boord van een hefschroefvliegtuig, dat een vlucht over een watervlakte uitvoert, moet voor iedere inzittende een gemakkelijk bereikbaar zwemvest of daarmee gelijk te stellen middel om een persoon drijvende te houden aanwezig zijn, en moet een voldoend aantal reddingsvlotten aanwezig zijn om alle inzittenden te kunnen bevatten. Deze reddingsvlotten moeten zodanig zijn opgeborgen, dat zij in een noodgeval snel voor gebruik gereed zijn. Zij moeten zijn voorzien van reddingsmiddelen en van uitrusting voor het geven van de bij of krachtens het Luchtverkeersreglementvoorgeschreven noodseinen, alsmede van een VHF radiozender, welke door ongeoefende personen kan worden bediend. De verplichting zwemvesten en reddingsvlotten mede te voeren is onverminderd van toepassing, indien de drijfinrichting en dompelpakken, als bedoeld in de krachtens artikel 5gestelde bepalingen, aan boord worden medegevoerd.
8. Het in het vorige lid bedoelde zwemvest of daarmee gelijk te stellen middel moet doelmatig zijn, in gebruikgerede conditie verkeren en zijn voorzien van elektrische verlichting.
a. voor iedere inzittende een zwemvest of daarmee gelijk te stellen middel om een persoon drijvende te houden, hetwelk zodanig moet zijn opgeborgen, dat de inzittende het van zijn zit- of ligplaats af gemakkelijk kan grijpen. Bovendien moet een extra aantal zwemvesten of vorenbedoelde middelen aan boord nabij de uitgangen aanwezig zijn, dat ten minste gelijk is aan een vijfde van het aantal inzittenden. Zij moeten gemakkelijk te grijpen zijn;
b. een drijfanker.
2. Aan boord van een watervleugelvliegtuig moet bij een vlucht boven volle zee de uitrusting aanwezig zijn voor het geven van de geluidsseinen, als bedoeld in de Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee (Stb. 1963, 27);
3. Aan boord van:
a. elk landvleugelvliegtuig, dat op een afstand van meer dan 50 zeemijlen uit de kust vliegt en een zodanige startmassa heeft, dat na het uitvallen van een willekeurige motor op een willekeurig punt van de route of van de in het navigatieplan voorziene afwijkingen daarvan, waarbij het vliegtuig in de kruisvluchtconfiguratie is en de in werking blijvende motoren ten hoogste het maximaal duurvermogen leveren, de vlucht kan worden voortgezet naar een geschikt luchtvaartterrein en een veilige landing op dat terrein kan worden uitgevoerd, en
b. elk ander landvleugelvliegtuig, dat zich, tijdens kruisvlucht, buiten zweefafstand uit de kust bevindt, en
c. elk landvleugelvliegtuig, dat wordt gebruikt op een luchtvaartterrein, dat zodanig is gelegen dat overvliegen van een watervlakte gedurende start of landing niet kan worden vermeden, moet voor iedere inzittende een zwemvest of daarmee gelijk te stellen middel om een persoon drijvende te houden aanwezig zijn, hetwelk zodanig bij de zit- of ligplaats van iedere inzittende moet zijn opgeborgen, dat het gemakkelijk kan worden gegrepen.
4. Het in het eerste en derde lid bedoelde zwemvest of daarmee gelijk te stellen middel moet doelmatig en in gebruikgerede conditie verkeren. Het middel moet zijn voorzien van elektrische verlichting, behalve wanneer aan het gestelde in het vorige lid onder c wordt voldaan door het meevoeren van andere middelen dan zwemvesten.
5. Aan boord van het vleugelvliegtuig dat wordt gebruik op een route, waarbij het zich boven water zal bevinden en op een grotere afstand van land, dat geschikt is voor het uitvoeren van een noodlanding dan in het volgende lid is aangegeven, moeten behalve de ingevolge de vorige leden vereiste uitrusting bovendien aanwezig zijn:
a. een voldoend aantal reddingsvlotten om alle inzittenden te kunnen bevatten. Deze reddingsvlotten moeten zodanig zijn opgeborgen, dat zij in een noodgeval snel voor gebruik gereed zijn. Zij moeten zijn voorzien van reddingsmiddelen en middelen om de inzittenden in het leven te houden, aangepast aan het gebied, waarover gevlogen zal worden en van uitrusting voor het geven van de bij of krachtens het Luchtverkeersreglement voorgeschreven noodseinen;
b. ten minste twee doelmatige, op VHF werkende, radiotoestellen. Deze toestellen moeten zodanig zijn opgeborgen, dat het gebruik in noodgevallen zo snel mogelijk kan geschieden. Zij moeten draagbaar en waterbestendig zijn, zelfstandig kunnen drijven en onafhankelijk van de elektrische boordinstallatie en verwijderd van het vliegtuig kunnen worden bediend door ongeoefende personen.
6. De in het vorige lid bedoelde afstand is de kleinste van de volgende twee afstanden:
a. 400 zeemijlen;
b. 120 minuten vliegen bij kruissnelheid.
De evengenoemde 400 zeemijlen en 120 minuten kunnen door de Minister van Verkeer en Waterstaat worden verminderd tot 100 zeemijlen en 30 minuten.
7. Aan boord van een hefschroefvliegtuig, dat een vlucht over een watervlakte uitvoert, moet voor iedere inzittende een gemakkelijk bereikbaar zwemvest of daarmee gelijk te stellen middel om een persoon drijvende te houden aanwezig zijn, en moet een voldoend aantal reddingsvlotten aanwezig zijn om alle inzittenden te kunnen bevatten. Deze reddingsvlotten moeten zodanig zijn opgeborgen, dat zij in een noodgeval snel voor gebruik gereed zijn. Zij moeten zijn voorzien van reddingsmiddelen en van uitrusting voor het geven van de bij of krachtens het Luchtverkeersreglementvoorgeschreven noodseinen, alsmede van een VHF radiozender, welke door ongeoefende personen kan worden bediend. De verplichting zwemvesten en reddingsvlotten mede te voeren is onverminderd van toepassing, indien de drijfinrichting en dompelpakken, als bedoeld in de krachtens artikel 5gestelde bepalingen, aan boord worden medegevoerd.
8. Het in het vorige lid bedoelde zwemvest of daarmee gelijk te stellen middel moet doelmatig zijn, in gebruikgerede conditie verkeren en zijn voorzien van elektrische verlichting.