BWBR0009487
Geldig vanaf 1998-03-29
Artikel 11
Regeling voorbereiding en uitvoering verkeersvluchten, uitgezonderd rondvluchten
1. Het vliegtuig moet zijn voorzien van zodanige installaties voor navigatie dat de vluchten kunnen worden uitgevoerd in overeenstemming met:
a. het navigatieplan en
b. de aanwijzingen van de verkeersleidingsdiensten. Het bovenstaande is niet van toepassing op vluchten, waaraan geen verkeersleiding wordt verstrekt (ongecontroleerde vluchten), waarbij de navigatie wordt uitgevoerd aan de hand van herkenbare punten op de grond, indien die vluchten althans niet zijn verboden door het bevoegde gezag van de Staat over welks gebied zij worden uitgevoerd.
2. Voor vluchten of delen van vluchten, waaraan verkeersleiding wordt verstrekt (gecontroleerde vluchten), met uitzondering van VFR-vluchten in plaatselijke verkeersgebieden, moet het vliegtuig ten minste voorzien zijn van:
a. indien op of lager dan vliegniveau 100 wordt gevlogen: één installatie voor het ontvangen van VHF-signalen van alzijdig gerichte radiobakens (V.O.R.'s) en één installatie voor het ontvangen van signalen van ongerichte radiobakens (N.D.B.'s);
b. indien boven vliegniveau 100 wordt gevlogen: één installatie voor het bepalen van afstand (DME) alsmede op routes waar V.O.R. het belangrijkste navigatiemiddel is, twee installaties voor het ontvangen van VHF-signalen van alzijdig gerichte radiobakens (V.O.R.'s) en één installatie voor het ontvangen van signalen van ongerichte radiobakens (N.D.B.'s) en op routes waar N.D.B. het belangrijkste navigatiehulpmiddel is, één installatie voor het ontvangen van VHF-signalen van alzijdig gerichte radiobakens (V.O.R.'s) en twee installaties voor het ontvangen van signalen van ongerichte radiobakens (N.D.B.'s).
3. De in de vorige leden bedoelde installaties moeten ten minste voldoen aan de normen, gesteld in deel I van Boek I Bijlage 10 (Aeronautical Telecommunications) van het verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart. Voorts kan, ingeval een tweevoudige installatie vereist is, hieraan worden voldaan door een enkelvoudige installatie en een andere niet in het tweede lid vermelde installatie, doch hiervoor is met uitzondering van een "inertial navigation system" (I.N.S.) en van een met I.N.S. gevoed "area navigation system" (R.N.A.V.), toestemming van de Minister van Verkeer en Waterstaat vereist.
4. De installaties dienen zodanig te zijn uitgevoerd, dat het onklaar raken van één van de in het tweede lid vereiste installaties niet tot gevolg heeft, dat een andere ingevolge dat lid vereiste installatie onklaar raakt.
a. het navigatieplan en
b. de aanwijzingen van de verkeersleidingsdiensten. Het bovenstaande is niet van toepassing op vluchten, waaraan geen verkeersleiding wordt verstrekt (ongecontroleerde vluchten), waarbij de navigatie wordt uitgevoerd aan de hand van herkenbare punten op de grond, indien die vluchten althans niet zijn verboden door het bevoegde gezag van de Staat over welks gebied zij worden uitgevoerd.
2. Voor vluchten of delen van vluchten, waaraan verkeersleiding wordt verstrekt (gecontroleerde vluchten), met uitzondering van VFR-vluchten in plaatselijke verkeersgebieden, moet het vliegtuig ten minste voorzien zijn van:
a. indien op of lager dan vliegniveau 100 wordt gevlogen: één installatie voor het ontvangen van VHF-signalen van alzijdig gerichte radiobakens (V.O.R.'s) en één installatie voor het ontvangen van signalen van ongerichte radiobakens (N.D.B.'s);
b. indien boven vliegniveau 100 wordt gevlogen: één installatie voor het bepalen van afstand (DME) alsmede op routes waar V.O.R. het belangrijkste navigatiemiddel is, twee installaties voor het ontvangen van VHF-signalen van alzijdig gerichte radiobakens (V.O.R.'s) en één installatie voor het ontvangen van signalen van ongerichte radiobakens (N.D.B.'s) en op routes waar N.D.B. het belangrijkste navigatiehulpmiddel is, één installatie voor het ontvangen van VHF-signalen van alzijdig gerichte radiobakens (V.O.R.'s) en twee installaties voor het ontvangen van signalen van ongerichte radiobakens (N.D.B.'s).
3. De in de vorige leden bedoelde installaties moeten ten minste voldoen aan de normen, gesteld in deel I van Boek I Bijlage 10 (Aeronautical Telecommunications) van het verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart. Voorts kan, ingeval een tweevoudige installatie vereist is, hieraan worden voldaan door een enkelvoudige installatie en een andere niet in het tweede lid vermelde installatie, doch hiervoor is met uitzondering van een "inertial navigation system" (I.N.S.) en van een met I.N.S. gevoed "area navigation system" (R.N.A.V.), toestemming van de Minister van Verkeer en Waterstaat vereist.
4. De installaties dienen zodanig te zijn uitgevoerd, dat het onklaar raken van één van de in het tweede lid vereiste installaties niet tot gevolg heeft, dat een andere ingevolge dat lid vereiste installatie onklaar raakt.