BWBR0009487
Geldig vanaf 1998-03-29
Artikel 13
Regeling voorbereiding en uitvoering verkeersvluchten, uitgezonderd rondvluchten
1. Aan boord van het vliegtuig, waarmede wordt gevlogen tijdens gecontroleerde vluchten, met uitzondering van VFR-vluchten in plaatselijke verkeersgebieden, moet een goed functionerend radar beantwoordingszender systeem (Secondary Surveillance Radar- SSR Transponder System) met 4096 code mogelijkheden in mode A en met automatische hoogterapportering in mode C aanwezig zijn.
2. De in het vorige lid bedoelde radar identificatie zender moet ten minste voldoen aan de normen gesteld in deel I van Boek I Bijlage 10 (Aernautical Telecommunications) van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart.
3. Indien vóór het voorgenomen vertrek de in de vorige leden bedoelde radaridentificatie zender door een storing niet voor het gebruik gereed is, mag de vlucht worden uitgevoerd, mits toestemming van de betrokken verkeersleidingsdiensten is verkregen en wordt voldaan aan de daarbij gegeven aanwijzingen en gestelde voorwaarden.
2. De in het vorige lid bedoelde radar identificatie zender moet ten minste voldoen aan de normen gesteld in deel I van Boek I Bijlage 10 (Aernautical Telecommunications) van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart.
3. Indien vóór het voorgenomen vertrek de in de vorige leden bedoelde radaridentificatie zender door een storing niet voor het gebruik gereed is, mag de vlucht worden uitgevoerd, mits toestemming van de betrokken verkeersleidingsdiensten is verkregen en wordt voldaan aan de daarbij gegeven aanwijzingen en gestelde voorwaarden.