BWBR0003381
Geldig vanaf 1981-03-17
Artikel 42
Regeling In- en uitvoer landbouwgoederen
1. Het stellen van de in de basisverordeningen of uitvoeringsbepalingen voorgeschreven zekerheid als garantie dat binnen de geldigheidsduur van het certificaat zal worden voldaan aan de daaraan verbonden verplichting tot invoer uit of uitvoer naar een land of gebied dat geen deel uitmaakt van de Gemeenschap dan wel dat een met zodanige uitvoer gelijkgestelde levering zal worden verricht, geschiedt bij het produktschap.
2. Wanneer het stellen van de zekerheid niet in contanten geschiedt, kan als garantie slechts worden aanvaard een garantieverklaring, afgegeven door een in afdeling I of II van het register der kredietinstellingen, als bedoeld in artikel 1 van de Wet toezicht kredietwezen, ingeschreven kredietinstelling, alsmede door een instelling die door de Minister van Financiën is toegelaten tot het stellen van zakelijke zekerheid voor de nakoming van verplichtingen inzake invoerrechten en accijnzen, welke zij als borg op zich neemt.
3. Ingeval de invoer of uitvoer ten gevolge van overmacht niet tijdens de geldigheidsduur van het certificaat kan geschieden, is het produktschap, met inachtneming van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3719/88, bevoegd te beslissen, hetzij dat de verplichting tot invoer of uitvoer wordt opgeheven, hetzij dat de geldigheidsduur van het certificaat wordt verlengd. Het Produktschap is eveneens bevoegd hierbij aanvragen tot afgifte van een tweede certificaat in behandeling te nemen, met inachtneming van de daarvoor geldende bepalingen van de hiervoor aangehaalde verordening.
Van elk gebruik maken van deze bevoegdheid geeft het produktschap periodiek kennis aan de minister.
4. Indien aan de verplichting tot invoer of uitvoer met, niet tijdig of niet volledig is voldaan, gaat het produktschap over tot invordering van het bedrag, bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, tweede gedachtenstreepje.
5. Onverminderd het bepaalde in het vorige lid kan het produktschap indien de belanghebbende in het in de uitvoeringsbepalingen voorziene geval en onder de daarin opgenomen voorwaarden tijdig zorgdraagt voor vervangende invoer, voorshands afzien van de invordering van het bedrag bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, tweede gedachtenstreepje.
2. Wanneer het stellen van de zekerheid niet in contanten geschiedt, kan als garantie slechts worden aanvaard een garantieverklaring, afgegeven door een in afdeling I of II van het register der kredietinstellingen, als bedoeld in artikel 1 van de Wet toezicht kredietwezen, ingeschreven kredietinstelling, alsmede door een instelling die door de Minister van Financiën is toegelaten tot het stellen van zakelijke zekerheid voor de nakoming van verplichtingen inzake invoerrechten en accijnzen, welke zij als borg op zich neemt.
3. Ingeval de invoer of uitvoer ten gevolge van overmacht niet tijdens de geldigheidsduur van het certificaat kan geschieden, is het produktschap, met inachtneming van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3719/88, bevoegd te beslissen, hetzij dat de verplichting tot invoer of uitvoer wordt opgeheven, hetzij dat de geldigheidsduur van het certificaat wordt verlengd. Het Produktschap is eveneens bevoegd hierbij aanvragen tot afgifte van een tweede certificaat in behandeling te nemen, met inachtneming van de daarvoor geldende bepalingen van de hiervoor aangehaalde verordening.
Van elk gebruik maken van deze bevoegdheid geeft het produktschap periodiek kennis aan de minister.
4. Indien aan de verplichting tot invoer of uitvoer met, niet tijdig of niet volledig is voldaan, gaat het produktschap over tot invordering van het bedrag, bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, tweede gedachtenstreepje.
5. Onverminderd het bepaalde in het vorige lid kan het produktschap indien de belanghebbende in het in de uitvoeringsbepalingen voorziene geval en onder de daarin opgenomen voorwaarden tijdig zorgdraagt voor vervangende invoer, voorshands afzien van de invordering van het bedrag bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, tweede gedachtenstreepje.