BWBR0003381
Geldig vanaf 1981-03-17
Artikel 101e
Regeling In- en uitvoer landbouwgoederen
1. De in artikel 101d, eerste lid, bedoelde controle van erkende depothouders betreft in het bijzonder het bereiken van de voorgeschreven bestemming van levering voor proviandering, als bedoeld in artikel 97, eerste lid, dan wel van inslag in een erkend bevoorradingsdepot hier te lande of in een andere Lid-Staat van uit het erkende bevoorradingsdepot uitgeslagen goederen.
2. In geval van rechtstreekse levering voor proviandering van zeeschepen buiten de Gemeenschap, als bedoeld in artikel 45, derde lid, van verordening 800/1999, dienen zich in de administratie van de depothouder, als bedoeld in artikel 101b, de in artikel 101, derde lid, genoemde documenten te bevinden. Daarnaast kan de Algemene Inspectiedienst bewijzen terzake van de aard van de leverantie, als bedoeld in artikel 101, derde lid, laatste alinea, eisen.
3. In geval van levering voor proviandering van boor- en produktieplatforms en marine- en hulpschepen is artikel 100van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien de depothouder geen overeenkomst houdende de in artikel 100, derde en vierde lid, genoemde verplichtingen ter beschikking van de Algemene Inspectiedienst houdt of de in deze overeenkomst genoemde verplichtingen door de exploitant van het platform niet zijn nageleefd, voor de betrokken goederen wordt overgegaan tot toepassing van het bepaalde in artikel 42 van verordening 800/1999.
4. Een door de produktschappen van de belastingdienst ontvangen controle-exemplaar T 5 dat betrekking heeft op leveringen vanuit een bevoorradingsdepot hier te lande voor een bestemming in een andere Lid-Staat, te weten een controle-exemplaar als bedoeld in artikel 43, derde dan wel vierde lid, van genoemde verordening, als ook een controle-exemplaar T 5 dat betrekking heeft op leveringen vanuit een bevoorradingsdepot hier te lande voor rechtstreekse proviandering van zeeschepen buiten de Gemeenschap, als bedoeld in artikel 45, derde lid, onder a, van verordening 800/1999, van genoemde verordening, via een andere Lid-Staat, te weten een controle-exemplaar als bedoeld in artikel 6van genoemde verordening, zenden zij onverwijld toe aan het gewestelijk kantoor van de Algemene Inspectiedienst binnen welk ressort de opslag heeft plaatsgevonden.
5. a. Het in het vierde lid bedoelde controle-exemplaar T 5, dient om in aanmerking te worden genomen, behoudens overmacht, binnen 12 maanden na uitslag uit het bevoorradingsdepot van de goederen waarop het bewijs betrekking heeft, in het bezit te zijn van het produktschap.
b. De in het tweede lid bedoelde bewijsdocumenten, het levenrantiebewijs, als bedoeld in artikel 100, vijfde lid, en alle andere vereiste bewijsstukken terzake van de voorgeschreven bestemming dienen zich, om in aanmerking te worden genomen, binnen 12 maanden na uitslag uit het bevoorradingsdepot van de goederen waarop het bewijs betrekking heeft in de administratie van de depothouder, als bedoeld in artikel 101b, te bevinden.
6. a. Wanneer het in het vierde lid bedoelde controle-exemplaar T 5 als gevolg van omstandigheden welke niet aan de depothouder zijn toe te rekenen, niet binnen een termijn van drie maanden na afgifte bij het produktschap is terugontvangen, kan de depothouder bij het produktschap een met redenen omkleed en van bewijsstukken vergezeld verzoek indienen, om een verklaring van het voor de controle op de betrokken bestemming bevoegde douanekantoor, waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor visering van het controle-exemplaar is voldaan, als gelijkwaardig bewijsstuk te erkennen. Betreft het een controle-exemplaar T 5 dat betrekking heeft op leveringen vanuit een bevoorradingsdepot hier te lande voor rechtstreekse proviandering van zeeschepen buiten de Gemeenschap via een andere Lid-Staat, dan kan in afwijking van het voorgaande slechts het vervoerdocument met het bewijs bedoeld in artikel 101, derde lid, eerste gedachtenstreepje, als gelijkwaardig bewijsstuk worden erkend.
b. Wanneer het in het artikel 101, derde lid, eerste gedachtenstreepje bedoelde bewijs niet kan worden overgelegd, kan de depothouder bij het bevoegde produktschap een met redenen omkleed verzoek indienen om het in artikel 45, derde lid, onderdeel c, van genoemde verordening bedoelde bewijs, als gelijkwaardig bewijsstuk te erkennen.
7. Wanneer het in het vierde lid bedoelde controle-exemplaar T 5 dan wel het in het zesde lid, onder a, bedoelde gelijkwaardige bewijsstuk niet binnen de in het vijfde lid bedoelde termijn wordt overgelegd, kunnen de exporteur, wanneer hij zich de nodige moeite heeft gegeven om de documenten binnen die termijn te verkrijgen, door het bevoegde produktschap bijkomende termijnen worden toegekend. Het verzoek daartoe moet binnen de in het vijfde lid bedoelde termijn worden ingediend.
8. Terzake van de erkenning van gelijkwaardige bewijsstukken, als bedoeld in het zesde lid en terzake van de toekenning van aanvullende termijnen, als bedoeld in het zevende lid, wordt het in het vierde lid bedoelde gewestelijke kantoor van de Algemene Inspectiedienst door het betrokken produktschap geïnformeerd.
2. In geval van rechtstreekse levering voor proviandering van zeeschepen buiten de Gemeenschap, als bedoeld in artikel 45, derde lid, van verordening 800/1999, dienen zich in de administratie van de depothouder, als bedoeld in artikel 101b, de in artikel 101, derde lid, genoemde documenten te bevinden. Daarnaast kan de Algemene Inspectiedienst bewijzen terzake van de aard van de leverantie, als bedoeld in artikel 101, derde lid, laatste alinea, eisen.
3. In geval van levering voor proviandering van boor- en produktieplatforms en marine- en hulpschepen is artikel 100van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien de depothouder geen overeenkomst houdende de in artikel 100, derde en vierde lid, genoemde verplichtingen ter beschikking van de Algemene Inspectiedienst houdt of de in deze overeenkomst genoemde verplichtingen door de exploitant van het platform niet zijn nageleefd, voor de betrokken goederen wordt overgegaan tot toepassing van het bepaalde in artikel 42 van verordening 800/1999.
4. Een door de produktschappen van de belastingdienst ontvangen controle-exemplaar T 5 dat betrekking heeft op leveringen vanuit een bevoorradingsdepot hier te lande voor een bestemming in een andere Lid-Staat, te weten een controle-exemplaar als bedoeld in artikel 43, derde dan wel vierde lid, van genoemde verordening, als ook een controle-exemplaar T 5 dat betrekking heeft op leveringen vanuit een bevoorradingsdepot hier te lande voor rechtstreekse proviandering van zeeschepen buiten de Gemeenschap, als bedoeld in artikel 45, derde lid, onder a, van verordening 800/1999, van genoemde verordening, via een andere Lid-Staat, te weten een controle-exemplaar als bedoeld in artikel 6van genoemde verordening, zenden zij onverwijld toe aan het gewestelijk kantoor van de Algemene Inspectiedienst binnen welk ressort de opslag heeft plaatsgevonden.
5. a. Het in het vierde lid bedoelde controle-exemplaar T 5, dient om in aanmerking te worden genomen, behoudens overmacht, binnen 12 maanden na uitslag uit het bevoorradingsdepot van de goederen waarop het bewijs betrekking heeft, in het bezit te zijn van het produktschap.
b. De in het tweede lid bedoelde bewijsdocumenten, het levenrantiebewijs, als bedoeld in artikel 100, vijfde lid, en alle andere vereiste bewijsstukken terzake van de voorgeschreven bestemming dienen zich, om in aanmerking te worden genomen, binnen 12 maanden na uitslag uit het bevoorradingsdepot van de goederen waarop het bewijs betrekking heeft in de administratie van de depothouder, als bedoeld in artikel 101b, te bevinden.
6. a. Wanneer het in het vierde lid bedoelde controle-exemplaar T 5 als gevolg van omstandigheden welke niet aan de depothouder zijn toe te rekenen, niet binnen een termijn van drie maanden na afgifte bij het produktschap is terugontvangen, kan de depothouder bij het produktschap een met redenen omkleed en van bewijsstukken vergezeld verzoek indienen, om een verklaring van het voor de controle op de betrokken bestemming bevoegde douanekantoor, waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor visering van het controle-exemplaar is voldaan, als gelijkwaardig bewijsstuk te erkennen. Betreft het een controle-exemplaar T 5 dat betrekking heeft op leveringen vanuit een bevoorradingsdepot hier te lande voor rechtstreekse proviandering van zeeschepen buiten de Gemeenschap via een andere Lid-Staat, dan kan in afwijking van het voorgaande slechts het vervoerdocument met het bewijs bedoeld in artikel 101, derde lid, eerste gedachtenstreepje, als gelijkwaardig bewijsstuk worden erkend.
b. Wanneer het in het artikel 101, derde lid, eerste gedachtenstreepje bedoelde bewijs niet kan worden overgelegd, kan de depothouder bij het bevoegde produktschap een met redenen omkleed verzoek indienen om het in artikel 45, derde lid, onderdeel c, van genoemde verordening bedoelde bewijs, als gelijkwaardig bewijsstuk te erkennen.
7. Wanneer het in het vierde lid bedoelde controle-exemplaar T 5 dan wel het in het zesde lid, onder a, bedoelde gelijkwaardige bewijsstuk niet binnen de in het vijfde lid bedoelde termijn wordt overgelegd, kunnen de exporteur, wanneer hij zich de nodige moeite heeft gegeven om de documenten binnen die termijn te verkrijgen, door het bevoegde produktschap bijkomende termijnen worden toegekend. Het verzoek daartoe moet binnen de in het vijfde lid bedoelde termijn worden ingediend.
8. Terzake van de erkenning van gelijkwaardige bewijsstukken, als bedoeld in het zesde lid en terzake van de toekenning van aanvullende termijnen, als bedoeld in het zevende lid, wordt het in het vierde lid bedoelde gewestelijke kantoor van de Algemene Inspectiedienst door het betrokken produktschap geïnformeerd.