BWBR0020700
Geldig vanaf 20-12-2007
Artikel 3:26
Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011
1. Voor zover de onderliggende beleggingen van de instelling voor collectieve belegging op dagbasis door de financiële onderneming worden gevolgd, kan de onderneming bij de berekening van de solvabiliteitsvereisten ter dekking van het aan de betrokken posities verbonden positierisico, posities op instellingen voor collectieve belegging volgens de in dit hoofdstuk beschreven methoden behandelen als posities in de onderliggende beleggingen van de instelling voor collectieve belegging. Daarbij is verrekening tussen posities in de onderliggende beleggingen van de instelling voor collectieve belegging en andere door de financiële onderneming ingenomen posities toegestaan indien de financiële onderneming terugkoop of creatie in ruil voor de onderliggende beleggingen juridisch kan afdwingen.
2. Een financiële onderneming kan de solvabiliteitsvereisten ter dekking van het aan posities in instellingen voor collectieve belegging verbonden positierisico volgens de in dit hoofdstuk beschreven methoden berekenen op basis van hypothetische posities indien:
a. de hypothetische posities overeenkomen met de posities die nodig zijn om, conform het beleggingsbeleid van de instelling voor collectieve belegging, de samenstelling en de prestaties van een index van derden of van een vast mandje van financiële instrumenten te volgen; en
b. er gedurende minimaal zes maanden tussen de dagelijkse koersbewegingen van de instelling voor collectieve belegging en die van de gevolgde index of het mandje van financiële instrumenten, bedoeld in onderdeel a, een correlatie tussen enerzijds het dagrendement van het aan de beurs verhandelde fonds en anderzijds dat van de gevolgde index respectievelijk dat van het mandje van financiële instrumenten, van 90% kan worden vastgesteld.
3. Wanneer een financiële onderneming de onderliggende beleggingen van de instelling voor collectieve belegging niet op dagbasis volgt, kan zij de solvabiliteitsvereisten ter dekking van het aan posities in de instelling voor collectieve belegging verbonden positierisico uitsluitend volgens de in deze afdeling beschreven methoden berekenen, indien:
a. de financiële onderneming de op de instelling voor collectieve belegging ingenomen positie als een directe participatie in de hypothetische positie behandelt en voorts veronderstelt dat de instelling voor collectieve belegging binnen de geldende grenzen, allereerst maximaal belegt in de activaklassen met de hoogste solvabiliteitsvereisten ter dekking van het specifieke en algemene risico en vervolgens, in dalende volgorde, in activaklassen met lagere solvabiliteitsvereisten totdat de totale beleggingslimiet is bereikt;
b. de financiële onderneming bij het berekenen van haar solvabiliteitsvereisten ter dekking van het positierisico, het maximale indirecte risico dat zij kan lopen door met geleend geld posities in te nemen via de instelling voor collectieve belegging, in aanmerking neemt door de positie in de instelling voor collectieve belegging proportioneel op te bouwen tot het maximale risico op de onderliggende beleggingen dat in het kader van het beleggingsbeleid is toegestaan; en
c. de financiële onderneming het solvabiliteitsvereiste tot dit laatste niveau begrenst, als de berekening van het solvabiliteitsvereiste volgens dit lid een solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke en algemene risico oplevert dat hoger is dan het percentage, bedoeld in artikel 1:23, tweede lid.
4. Een financiële onderneming kan de berekening en rapportage van de solvabiliteitsvereisten ter dekking van het positierisico met betrekking tot posities in instellingen voor collectieve belegging waarop het eerste en derde lid van toepassing zijn, overeenkomstig de methoden van het tweede en derde lid, aan een externe partij uitbesteden, indien daarbij de deugdelijkheid van de berekening en de rapportage blijft gewaarborgd.
2. Een financiële onderneming kan de solvabiliteitsvereisten ter dekking van het aan posities in instellingen voor collectieve belegging verbonden positierisico volgens de in dit hoofdstuk beschreven methoden berekenen op basis van hypothetische posities indien:
a. de hypothetische posities overeenkomen met de posities die nodig zijn om, conform het beleggingsbeleid van de instelling voor collectieve belegging, de samenstelling en de prestaties van een index van derden of van een vast mandje van financiële instrumenten te volgen; en
b. er gedurende minimaal zes maanden tussen de dagelijkse koersbewegingen van de instelling voor collectieve belegging en die van de gevolgde index of het mandje van financiële instrumenten, bedoeld in onderdeel a, een correlatie tussen enerzijds het dagrendement van het aan de beurs verhandelde fonds en anderzijds dat van de gevolgde index respectievelijk dat van het mandje van financiële instrumenten, van 90% kan worden vastgesteld.
3. Wanneer een financiële onderneming de onderliggende beleggingen van de instelling voor collectieve belegging niet op dagbasis volgt, kan zij de solvabiliteitsvereisten ter dekking van het aan posities in de instelling voor collectieve belegging verbonden positierisico uitsluitend volgens de in deze afdeling beschreven methoden berekenen, indien:
a. de financiële onderneming de op de instelling voor collectieve belegging ingenomen positie als een directe participatie in de hypothetische positie behandelt en voorts veronderstelt dat de instelling voor collectieve belegging binnen de geldende grenzen, allereerst maximaal belegt in de activaklassen met de hoogste solvabiliteitsvereisten ter dekking van het specifieke en algemene risico en vervolgens, in dalende volgorde, in activaklassen met lagere solvabiliteitsvereisten totdat de totale beleggingslimiet is bereikt;
b. de financiële onderneming bij het berekenen van haar solvabiliteitsvereisten ter dekking van het positierisico, het maximale indirecte risico dat zij kan lopen door met geleend geld posities in te nemen via de instelling voor collectieve belegging, in aanmerking neemt door de positie in de instelling voor collectieve belegging proportioneel op te bouwen tot het maximale risico op de onderliggende beleggingen dat in het kader van het beleggingsbeleid is toegestaan; en
c. de financiële onderneming het solvabiliteitsvereiste tot dit laatste niveau begrenst, als de berekening van het solvabiliteitsvereiste volgens dit lid een solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke en algemene risico oplevert dat hoger is dan het percentage, bedoeld in artikel 1:23, tweede lid.
4. Een financiële onderneming kan de berekening en rapportage van de solvabiliteitsvereisten ter dekking van het positierisico met betrekking tot posities in instellingen voor collectieve belegging waarop het eerste en derde lid van toepassing zijn, overeenkomstig de methoden van het tweede en derde lid, aan een externe partij uitbesteden, indien daarbij de deugdelijkheid van de berekening en de rapportage blijft gewaarborgd.
- Citeren als
- Art. 3:26
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020700
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl