BWBR0020700
Geldig vanaf 01-01-2007
Artikel 3:35
Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011
1. Voor de berekening van de totale netto open positie met betrekking tot instellingen voor collectieve belegging, worden de feitelijke posities van de instellingen voor collectieve belegging in aanmerking genomen en kunnen financiële ondernemingen zich baseren op de rapportage van een derde partij over de op de instellingen voor collectieve belegging ingenomen valutaposities, indien de deugdelijkheid van deze rapportage naar behoren is aangetoond.
2. Wanneer de financiële onderneming de valutaposities op een instelling voor collectieve belegging niet volgt, wordt aangenomen dat de instelling voor collectieve belegging binnen de grenzen van haar beleggingsbeleid maximaal heeft belegd in buitenlandse valuta. De financiële onderneming neemt in dat geval met betrekking tot posities in de handelsportefeuille het maximale indirecte risico dat zij kan lopen door leveraged posities via de instelling voor collectieve belegging in te nemen in aanmerking bij het berekenen van haar solvabiliteitsvereiste voor valutarisico’s. Daartoe wordt de positie op de instelling voor collectieve belegging proportioneel opgebouwd tot de maximale positie in de onderliggende beleggingen die in het kader van haar beleggingsbeleid is toegestaan.
3. De hypothetische valutapositie van de instelling voor collectieve belegging wordt als een afzonderlijke valuta aangemerkt en wordt behandeld als een belegging in goud. Wanneer dit binnen de beleggingsstrategie van de instelling voor collectieve belegging mogelijk is, kan voorts de totale lange positie worden opgeteld bij de totale openstaande lange valutapositie en de totale korte positie bij de totale openstaande korte valutapositie. Verrekening tussen de posities, bedoeld in de vorige volzin, vóór de berekening, bedoeld in het eerste lid, is niet toegestaan.
2. Wanneer de financiële onderneming de valutaposities op een instelling voor collectieve belegging niet volgt, wordt aangenomen dat de instelling voor collectieve belegging binnen de grenzen van haar beleggingsbeleid maximaal heeft belegd in buitenlandse valuta. De financiële onderneming neemt in dat geval met betrekking tot posities in de handelsportefeuille het maximale indirecte risico dat zij kan lopen door leveraged posities via de instelling voor collectieve belegging in te nemen in aanmerking bij het berekenen van haar solvabiliteitsvereiste voor valutarisico’s. Daartoe wordt de positie op de instelling voor collectieve belegging proportioneel opgebouwd tot de maximale positie in de onderliggende beleggingen die in het kader van haar beleggingsbeleid is toegestaan.
3. De hypothetische valutapositie van de instelling voor collectieve belegging wordt als een afzonderlijke valuta aangemerkt en wordt behandeld als een belegging in goud. Wanneer dit binnen de beleggingsstrategie van de instelling voor collectieve belegging mogelijk is, kan voorts de totale lange positie worden opgeteld bij de totale openstaande lange valutapositie en de totale korte positie bij de totale openstaande korte valutapositie. Verrekening tussen de posities, bedoeld in de vorige volzin, vóór de berekening, bedoeld in het eerste lid, is niet toegestaan.
- Citeren als
- Art. 3:35
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020700
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl