BWBR0020700
Geldig vanaf 31-12-2011
Artikel 3:11
Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011
1. Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke positierisico voor posities in securitisaties wordt berekend overeenkomstig artikel 67 van de Regeling securitisaties Wft 2010.
2. In afwijking van het eerste lid mag een financiële onderneming het kapitaalvereiste voor het specifieke risico voor de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid als volgt vaststellen. Het hoogste bedrag dat volgt uit de berekeningen in dit lid wordt de vereiste solvabiliteit voor het specifieke risico positierisico voor de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid. De financiële onderneming berekent:
a. de totale solvabiliteitsvereisten voor het specifieke risico die zouden gelden voor de lange nettoposities van de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid; en
b. de totale solvabiliteitsvereisten voor het specifieke risico die enkel zouden gelden voor de korte nettoposities van de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid.
3. Voor de toepassing van deze Regeling bestaat de correlation trading-portefeuille uit securitisatieposities en nth-to-default kredietderivaten die voldoen aan de onderstaande criteria:
a. de posities zijn noch hersecuritisatieposities, noch opties op een securitisatietranche, noch andere derivaten van securitisatieposten die geen aandeel naar rato bieden in de opbrengsten van een securitisatietranche; en
b. alle referentie-instrumenten zijn single-name-instrumenten, zoals single-name kredietderivaten, waarvoor een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat. Hieronder vallen ook de courant verhandelde indices, gebaseerd op deze referentie-entiteiten.
4. Voor de toepassing van de artikelen 3:6, eerste lid, artikel 3:11, eerste en tweede lid en artikel 3:11a, eerste lid, kan de financiële onderneming het solvabiliteitsvereiste tot het maximaal mogelijke met het wanbetalingsrisico samenhangende verlies begrenzen.
5. Posities die verwijzen naar een van onderstaande punten kunnen geen deel uitmaken van de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid:
a. een onderliggende waarde die kan worden toegewezen aan de categorieën vorderingen als bedoeld in artikel 2:27 of artikel 2:28 van de Rsk 2010 in de niet-handelsportefeuille van een kredietinstelling; of
b. een vordering op een special purpose entity.
6. Een financiële onderneming mag in de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid posities opnemen die geen securitisatieposities of n-th-to-default kredietderivaten zijn maar die andere posities in de portefeuille dekken, mits er voor de instrumenten of de onderliggende waarden ervan een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat zoals bedoeld in het derde lid onder b).
2. In afwijking van het eerste lid mag een financiële onderneming het kapitaalvereiste voor het specifieke risico voor de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid als volgt vaststellen. Het hoogste bedrag dat volgt uit de berekeningen in dit lid wordt de vereiste solvabiliteit voor het specifieke risico positierisico voor de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid. De financiële onderneming berekent:
a. de totale solvabiliteitsvereisten voor het specifieke risico die zouden gelden voor de lange nettoposities van de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid; en
b. de totale solvabiliteitsvereisten voor het specifieke risico die enkel zouden gelden voor de korte nettoposities van de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid.
3. Voor de toepassing van deze Regeling bestaat de correlation trading-portefeuille uit securitisatieposities en nth-to-default kredietderivaten die voldoen aan de onderstaande criteria:
a. de posities zijn noch hersecuritisatieposities, noch opties op een securitisatietranche, noch andere derivaten van securitisatieposten die geen aandeel naar rato bieden in de opbrengsten van een securitisatietranche; en
b. alle referentie-instrumenten zijn single-name-instrumenten, zoals single-name kredietderivaten, waarvoor een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat. Hieronder vallen ook de courant verhandelde indices, gebaseerd op deze referentie-entiteiten.
4. Voor de toepassing van de artikelen 3:6, eerste lid, artikel 3:11, eerste en tweede lid en artikel 3:11a, eerste lid, kan de financiële onderneming het solvabiliteitsvereiste tot het maximaal mogelijke met het wanbetalingsrisico samenhangende verlies begrenzen.
5. Posities die verwijzen naar een van onderstaande punten kunnen geen deel uitmaken van de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid:
a. een onderliggende waarde die kan worden toegewezen aan de categorieën vorderingen als bedoeld in artikel 2:27 of artikel 2:28 van de Rsk 2010 in de niet-handelsportefeuille van een kredietinstelling; of
b. een vordering op een special purpose entity.
6. Een financiële onderneming mag in de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid posities opnemen die geen securitisatieposities of n-th-to-default kredietderivaten zijn maar die andere posities in de portefeuille dekken, mits er voor de instrumenten of de onderliggende waarden ervan een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat zoals bedoeld in het derde lid onder b).
- Citeren als
- Art. 3:11
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020700
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl