BWBR0020700
Geldig vanaf 01-01-2007
Artikel 3:22
Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011
1. Indien protectie wordt verschaft door middel van kredietderivaten, wordt het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke positierisico als bedoeld in artikel 3:9, derde lid respectievelijk artikel 3:18, tweede lid, overeenkomstig het tweede tot en met het vijfde lid verlaagd.
2. Het solvabiliteitsvereiste wordt voor beide zijden van de positie met 100% verminderd indien de waardeverandering van het kredietderivaat gepaard gaat met een vrijwel gelijke, maar tegengestelde, waardeverandering van een ander instrument, omdat:
a. in beide richtingen volstrekt identieke instrumenten worden gebruikt;
b. een contante lange positie in het onderliggend actief is afgedekt door een totale-opbrengstenswap, met al dan niet dezelfde looptijd, of omgekeerd, en er volledige overeenstemming is tussen de referentieverplichting van het kredietderivaat en het desbetreffende onderliggend actief.
3. Het solvabiliteitsvereiste wordt voor beide zijden van de positie met 80% verminderd, indien:
a. het kredietderivaat zodanig aan een ander instrument in tegenovergestelde richting is gekoppeld dat een waardeverandering van het kredietderivaat altijd gepaard gaat met een tegengestelde waardeverandering van dat andere instrument;
b. significante wijzigingen tussen de waardeveranderingen van het derivaat en waardeveranderingen van het onderliggend actief in de kredietderivaatovereenkomst zijn uitgesloten; en
c. er volledige overeenstemming is voor wat betreft: 1°. de referentieverplichting;
2°. de looptijd van zowel de referentieverplichting als het kredietderivaat; en
3°. de valuta van het onderliggend actief.
1°. de referentieverplichting;
2°. de looptijd van zowel de referentieverplichting als het kredietderivaat; en
3°. de valuta van het onderliggend actief.
4. Indien de transactie, bedoeld in het derde lid, gepaard gaat met een overdracht van risico, wordt het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico aan de transactiezijde met het hoogste solvabiliteitsvereiste, verminderd met 80% en aan de andere zijde verminderd tot nul.
5. Het solvabiliteitsvereiste van de transactiezijde met het laagste solvabiliteitsvereiste wordt verminderd tot nul, indien de waardeverandering van het kredietderivaat gewoonlijk gepaard zal gaan met een tegengestelde waardeverandering van een ander instrument omdat er sprake is van een positie als bedoeld:
a. in het tweede lid, onderdeel a, of het derde lid, waarbij zich een valuta mismatch of looptijdverschil tussen het kredietderivaat en het onderliggend actief voordoet;
b. in het tweede lid, onderdeel b, waarbij zich een activa mismatch tussen de referentieverplichting en de desbetreffende positie in het onderliggend actief voordoet en waarbij: 1°. de referentieverplichting geen hogere rangorde dan het onderliggend actief heeft;
2°. de referentieverplichting en het onderliggend actief dezelfde debiteur hebben; en
3°. de referentieverplichting en het onderliggend actief juridisch afdwingbare gekruiste kredietverzuimclausules of gekruiste vervroegde opeisbaarheidclausules hebben;
1°. de referentieverplichting geen hogere rangorde dan het onderliggend actief heeft;
2°. de referentieverplichting en het onderliggend actief dezelfde debiteur hebben; en
3°. de referentieverplichting en het onderliggend actief juridisch afdwingbare gekruiste kredietverzuimclausules of gekruiste vervroegde opeisbaarheidclausules hebben;
c. in het derde lid, waarbij zich een activa mismatch tussen het kredietderivaat en de desbetreffende positie in het onderliggend actief voordoet. In dit geval wordt het onderliggend actief in de kredietderivaatdocumentatie echter opgenomen onder de te leveren verplichtingen.
6. Alle gevallen die niet onder de leden 2 tot en met 5 vallen, geven aanleiding tot een beoordeling van het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico op grond van beide zijden van de posities.
2. Het solvabiliteitsvereiste wordt voor beide zijden van de positie met 100% verminderd indien de waardeverandering van het kredietderivaat gepaard gaat met een vrijwel gelijke, maar tegengestelde, waardeverandering van een ander instrument, omdat:
a. in beide richtingen volstrekt identieke instrumenten worden gebruikt;
b. een contante lange positie in het onderliggend actief is afgedekt door een totale-opbrengstenswap, met al dan niet dezelfde looptijd, of omgekeerd, en er volledige overeenstemming is tussen de referentieverplichting van het kredietderivaat en het desbetreffende onderliggend actief.
3. Het solvabiliteitsvereiste wordt voor beide zijden van de positie met 80% verminderd, indien:
a. het kredietderivaat zodanig aan een ander instrument in tegenovergestelde richting is gekoppeld dat een waardeverandering van het kredietderivaat altijd gepaard gaat met een tegengestelde waardeverandering van dat andere instrument;
b. significante wijzigingen tussen de waardeveranderingen van het derivaat en waardeveranderingen van het onderliggend actief in de kredietderivaatovereenkomst zijn uitgesloten; en
c. er volledige overeenstemming is voor wat betreft: 1°. de referentieverplichting;
2°. de looptijd van zowel de referentieverplichting als het kredietderivaat; en
3°. de valuta van het onderliggend actief.
1°. de referentieverplichting;
2°. de looptijd van zowel de referentieverplichting als het kredietderivaat; en
3°. de valuta van het onderliggend actief.
4. Indien de transactie, bedoeld in het derde lid, gepaard gaat met een overdracht van risico, wordt het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico aan de transactiezijde met het hoogste solvabiliteitsvereiste, verminderd met 80% en aan de andere zijde verminderd tot nul.
5. Het solvabiliteitsvereiste van de transactiezijde met het laagste solvabiliteitsvereiste wordt verminderd tot nul, indien de waardeverandering van het kredietderivaat gewoonlijk gepaard zal gaan met een tegengestelde waardeverandering van een ander instrument omdat er sprake is van een positie als bedoeld:
a. in het tweede lid, onderdeel a, of het derde lid, waarbij zich een valuta mismatch of looptijdverschil tussen het kredietderivaat en het onderliggend actief voordoet;
b. in het tweede lid, onderdeel b, waarbij zich een activa mismatch tussen de referentieverplichting en de desbetreffende positie in het onderliggend actief voordoet en waarbij: 1°. de referentieverplichting geen hogere rangorde dan het onderliggend actief heeft;
2°. de referentieverplichting en het onderliggend actief dezelfde debiteur hebben; en
3°. de referentieverplichting en het onderliggend actief juridisch afdwingbare gekruiste kredietverzuimclausules of gekruiste vervroegde opeisbaarheidclausules hebben;
1°. de referentieverplichting geen hogere rangorde dan het onderliggend actief heeft;
2°. de referentieverplichting en het onderliggend actief dezelfde debiteur hebben; en
3°. de referentieverplichting en het onderliggend actief juridisch afdwingbare gekruiste kredietverzuimclausules of gekruiste vervroegde opeisbaarheidclausules hebben;
c. in het derde lid, waarbij zich een activa mismatch tussen het kredietderivaat en de desbetreffende positie in het onderliggend actief voordoet. In dit geval wordt het onderliggend actief in de kredietderivaatdocumentatie echter opgenomen onder de te leveren verplichtingen.
6. Alle gevallen die niet onder de leden 2 tot en met 5 vallen, geven aanleiding tot een beoordeling van het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico op grond van beide zijden van de posities.
- Citeren als
- Art. 3:22
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020700
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl