BWBR0020700
Geldig vanaf 20-12-2007
Artikel 3:15
Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011
1. Rentefutures, rentetermijncontracten en termijnverbintenissen tot aan- of verkoop van schuldinstrumenten worden behandeld als combinaties van lange en korte posities. Voor de toepassing van de eerste volzin:
a. wordt een lange positie in een rentefuture behandeld als een combinatie van een schuld die vervalt op de leveringsdatum van het futurecontract en een vordering waarvan de vervaldatum gelijk is aan die van het instrument of aan die van de virtuele positie die aan het futurecontract ten grondslag ligt;
b. wordt een verkocht rentetermijncontract behandeld als een lange positie die vervalt op de afwikkelingsdatum, verlengd met de contractduur, en een korte positie die vervalt op de afwikkelingsdatum. Voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico, worden zowel de schuld als de vordering opgenomen in de categorie bedoeld in artikel 3:9, vierde lid, onderdeel a;
c. wordt een termijnverbintenis tot aankoop van een schuldinstrument behandeld als een combinatie van een schuld die vervalt op de leveringsdatum en een lange, contante, positie van het schuldinstrument zelf. Voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico, wordt de schuld opgenomen in de categorie bedoeld in artikel 3:9, vierde lid, onderdeel a, en het schuldinstrument in de daarvoor in aanmerking komende categorie als bedoeld in datzelfde lid.
2. Wanneer een financiële onderneming haar posities niet omzet in de onderliggende instrumenten, is het solvabiliteitsvereiste:
a. in het geval van een op een gereglementeerde markt verhandelde future, gelijk aan de door deze gereglementeerde markt verlangde marge;
b. in het geval van een niet op een gereglementeerde markt verhandeld derivaat als bedoeld in dit artikel dat door een clearinginstelling is verrekend, gelijk aan de marge die de clearinginstelling verlangt.
3. Het tweede lid vindt uitsluitend toepassing indien de in dat lid bedoelde marge:
a. een nauwkeurige maatstaf vormt voor de aan het instrument verbonden risico’s, en
b. tenminste gelijkwaardig is aan het solvabiliteitsvereiste dat voor het instrument zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in artikel 3:9 tot en met artikel 3:14 respectievelijk de in hoofdstuk 4 omschreven methoden.
4. Aan de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt geacht te zijn voldaan indien een gereglementeerde markt als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a respectievelijk een clearinginstelling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van overheidswege onder toezicht staat in een bij ministeriële regeling op basis van artikel 2:6, tweede lid, respectievelijk artikel 2:8, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht aangewezen staat.
a. wordt een lange positie in een rentefuture behandeld als een combinatie van een schuld die vervalt op de leveringsdatum van het futurecontract en een vordering waarvan de vervaldatum gelijk is aan die van het instrument of aan die van de virtuele positie die aan het futurecontract ten grondslag ligt;
b. wordt een verkocht rentetermijncontract behandeld als een lange positie die vervalt op de afwikkelingsdatum, verlengd met de contractduur, en een korte positie die vervalt op de afwikkelingsdatum. Voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico, worden zowel de schuld als de vordering opgenomen in de categorie bedoeld in artikel 3:9, vierde lid, onderdeel a;
c. wordt een termijnverbintenis tot aankoop van een schuldinstrument behandeld als een combinatie van een schuld die vervalt op de leveringsdatum en een lange, contante, positie van het schuldinstrument zelf. Voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico, wordt de schuld opgenomen in de categorie bedoeld in artikel 3:9, vierde lid, onderdeel a, en het schuldinstrument in de daarvoor in aanmerking komende categorie als bedoeld in datzelfde lid.
2. Wanneer een financiële onderneming haar posities niet omzet in de onderliggende instrumenten, is het solvabiliteitsvereiste:
a. in het geval van een op een gereglementeerde markt verhandelde future, gelijk aan de door deze gereglementeerde markt verlangde marge;
b. in het geval van een niet op een gereglementeerde markt verhandeld derivaat als bedoeld in dit artikel dat door een clearinginstelling is verrekend, gelijk aan de marge die de clearinginstelling verlangt.
3. Het tweede lid vindt uitsluitend toepassing indien de in dat lid bedoelde marge:
a. een nauwkeurige maatstaf vormt voor de aan het instrument verbonden risico’s, en
b. tenminste gelijkwaardig is aan het solvabiliteitsvereiste dat voor het instrument zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in artikel 3:9 tot en met artikel 3:14 respectievelijk de in hoofdstuk 4 omschreven methoden.
4. Aan de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt geacht te zijn voldaan indien een gereglementeerde markt als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a respectievelijk een clearinginstelling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van overheidswege onder toezicht staat in een bij ministeriële regeling op basis van artikel 2:6, tweede lid, respectievelijk artikel 2:8, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht aangewezen staat.
- Citeren als
- Art. 3:15
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020700
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl