BWBR0020700
Geldig vanaf 20-12-2007
Artikel 3:40
Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011
1. Voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van de grondstoffenrisico’s volgens de methode op basis van looptijdklassen, neemt de financiële onderneming de volgende stappen:
a. alle, in overeenstemming met artikel 3:38 berekende, posities in een bepaalde grondstof worden ondergebracht in de toepasselijke looptijdklassen in tabel 6 van de bijlage bij deze regeling, met dien verstande dat: 1°. fysieke voorraden worden ondergebracht in de eerste looptijdklasse; en
2°. posities in dezelfde grondstof in contracten die op dezelfde datum of binnen tien dagen na elkaar aflopen, kunnen voor de toepassing van dit onderdeel op netto basis worden gecompenseerd en ondergebracht in de toepasselijke looptijdklassen in tabel 6 van de bijlage bij deze regeling, indien deze contracten worden verhandeld op markten waar dagelijkse leveringsdata bepaald worden;
1°. fysieke voorraden worden ondergebracht in de eerste looptijdklasse; en
2°. posities in dezelfde grondstof in contracten die op dezelfde datum of binnen tien dagen na elkaar aflopen, kunnen voor de toepassing van dit onderdeel op netto basis worden gecompenseerd en ondergebracht in de toepasselijke looptijdklassen in tabel 6 van de bijlage bij deze regeling, indien deze contracten worden verhandeld op markten waar dagelijkse leveringsdata bepaald worden;
b. de financiële onderneming berekent voor elke looptijdklasse de gecompenseerde positie, zijnde het totaalbedrag van de lange posities binnen elke looptijdklasse, dat gelijk is aan het totaalbedrag van de korte posities in dezelfde looptijdklasse. De resterende positie in de desbetreffende looptijdklasse is de niet-gecompenseerde positie voor die looptijdklasse;
c. de financiële onderneming berekent de gecompenseerde posities tussen de opeenvolgende looptijdklassen, zijnde het deel van de niet-gecompenseerde lange of korte positie in een looptijdklasse, dat gelijk is aan de niet-gecompenseerde tegengestelde positie in de daarop volgende looptijdklasse. De resterende positie is de niet-gecompenseerde positie.
2. Het solvabiliteitsvereiste van de financiële onderneming wordt voor iedere grondstof op basis van de betreffende looptijdklassen berekend als de som van:
a. de binnen elke looptijdklasse gecompenseerde posities, vermenigvuldigd met de toepasselijke coëfficiënt in kolom 2 van tabel 6 van de bijlage van deze regeling en met de contante koers van de grondstof;
b. de tussen de opeenvolgende looptijdklassen gecompenseerde posities, vermenigvuldigd met de overdrachtscoëfficiënt van o,6% en met de contante koers van de grondstof;
c. de resterende niet-gecompenseerde posities, vermenigvuldigd met 15%, en met de contante koers van de grondstof.
3. Het totale solvabiliteitsvereiste ter dekking van de grondstoffenrisico’s wordt berekend als de som van het, volgens het tweede lid berekende solvabiliteitsvereiste voor elke grondstof afzonderlijk.
a. alle, in overeenstemming met artikel 3:38 berekende, posities in een bepaalde grondstof worden ondergebracht in de toepasselijke looptijdklassen in tabel 6 van de bijlage bij deze regeling, met dien verstande dat: 1°. fysieke voorraden worden ondergebracht in de eerste looptijdklasse; en
2°. posities in dezelfde grondstof in contracten die op dezelfde datum of binnen tien dagen na elkaar aflopen, kunnen voor de toepassing van dit onderdeel op netto basis worden gecompenseerd en ondergebracht in de toepasselijke looptijdklassen in tabel 6 van de bijlage bij deze regeling, indien deze contracten worden verhandeld op markten waar dagelijkse leveringsdata bepaald worden;
1°. fysieke voorraden worden ondergebracht in de eerste looptijdklasse; en
2°. posities in dezelfde grondstof in contracten die op dezelfde datum of binnen tien dagen na elkaar aflopen, kunnen voor de toepassing van dit onderdeel op netto basis worden gecompenseerd en ondergebracht in de toepasselijke looptijdklassen in tabel 6 van de bijlage bij deze regeling, indien deze contracten worden verhandeld op markten waar dagelijkse leveringsdata bepaald worden;
b. de financiële onderneming berekent voor elke looptijdklasse de gecompenseerde positie, zijnde het totaalbedrag van de lange posities binnen elke looptijdklasse, dat gelijk is aan het totaalbedrag van de korte posities in dezelfde looptijdklasse. De resterende positie in de desbetreffende looptijdklasse is de niet-gecompenseerde positie voor die looptijdklasse;
c. de financiële onderneming berekent de gecompenseerde posities tussen de opeenvolgende looptijdklassen, zijnde het deel van de niet-gecompenseerde lange of korte positie in een looptijdklasse, dat gelijk is aan de niet-gecompenseerde tegengestelde positie in de daarop volgende looptijdklasse. De resterende positie is de niet-gecompenseerde positie.
2. Het solvabiliteitsvereiste van de financiële onderneming wordt voor iedere grondstof op basis van de betreffende looptijdklassen berekend als de som van:
a. de binnen elke looptijdklasse gecompenseerde posities, vermenigvuldigd met de toepasselijke coëfficiënt in kolom 2 van tabel 6 van de bijlage van deze regeling en met de contante koers van de grondstof;
b. de tussen de opeenvolgende looptijdklassen gecompenseerde posities, vermenigvuldigd met de overdrachtscoëfficiënt van o,6% en met de contante koers van de grondstof;
c. de resterende niet-gecompenseerde posities, vermenigvuldigd met 15%, en met de contante koers van de grondstof.
3. Het totale solvabiliteitsvereiste ter dekking van de grondstoffenrisico’s wordt berekend als de som van het, volgens het tweede lid berekende solvabiliteitsvereiste voor elke grondstof afzonderlijk.
- Citeren als
- Art. 3:40
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020700
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl