BWBR0020700
Geldig vanaf 20-12-2007
Artikel 3:4
Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011
1. Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het positierisico, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit van een financiële onderneming die haar optieposities niet herwaardeert op de wijze, bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, en die geen gebruik maakt van de scenarioanalyse-methode, bedoeld in artikel 3:27, is gelijk aan:
a. ingeval van een gekochte, niet op een gereglementeerde markt verhandelde, optie respectievelijk van een gekochte op een gereglementeerde markt verhandelde optie: het solvabiliteitsvereiste voor het onderliggend instrument, met dien verstande dat het vereiste niet meer kan bedragen dan de marktwaarde van deze optie;
b. ingeval van een verkochte, niet op een gereglementeerde markt verhandelde, optie: het solvabiliteitsvereiste voor het onderliggende instrument;
c. ingeval van een verkochte, op een gereglementeerde markt verhandelde, optie: de door deze gereglementeerde markt verlangde marge;
d. ingeval van een niet op een gereglementeerde markt verhandelde optie die door een clearinginstelling is verrekend: de door deze clearinginstelling verlangde marge.
2. Het eerste lid, onderdelen c en d, vindt uitsluitend toepassing indien de in dat lid bedoelde marge:
a. een nauwkeurige maatstaf vormt voor de aan de optie verbonden risico’s; en
b. tenminste gelijkwaardig is aan het solvabiliteitsvereiste dat voor de optie zou resulteren uit een berekening aan de hand van één van de artikelen 2:11 tot en met 2:14 respectievelijk de in hoofdstuk 4 omschreven methoden.
3. Aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt geacht te zijn voldaan, indien een gereglementeerde markt respectievelijk een clearinginstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c respectievelijk onderdeel d, van overheidswege onder prudentieel toezicht staat in een staat die:
a. ofwel partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
b. ofwel deel uitmaakt van de Groep van 10;
c. ofwel is aangewezen bij ministeriële regeling op basis van artikel 2:6, tweede lid, respectievelijk 2:8, tweede lid, van de Wet.
a. ingeval van een gekochte, niet op een gereglementeerde markt verhandelde, optie respectievelijk van een gekochte op een gereglementeerde markt verhandelde optie: het solvabiliteitsvereiste voor het onderliggend instrument, met dien verstande dat het vereiste niet meer kan bedragen dan de marktwaarde van deze optie;
b. ingeval van een verkochte, niet op een gereglementeerde markt verhandelde, optie: het solvabiliteitsvereiste voor het onderliggende instrument;
c. ingeval van een verkochte, op een gereglementeerde markt verhandelde, optie: de door deze gereglementeerde markt verlangde marge;
d. ingeval van een niet op een gereglementeerde markt verhandelde optie die door een clearinginstelling is verrekend: de door deze clearinginstelling verlangde marge.
2. Het eerste lid, onderdelen c en d, vindt uitsluitend toepassing indien de in dat lid bedoelde marge:
a. een nauwkeurige maatstaf vormt voor de aan de optie verbonden risico’s; en
b. tenminste gelijkwaardig is aan het solvabiliteitsvereiste dat voor de optie zou resulteren uit een berekening aan de hand van één van de artikelen 2:11 tot en met 2:14 respectievelijk de in hoofdstuk 4 omschreven methoden.
3. Aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt geacht te zijn voldaan, indien een gereglementeerde markt respectievelijk een clearinginstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c respectievelijk onderdeel d, van overheidswege onder prudentieel toezicht staat in een staat die:
a. ofwel partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
b. ofwel deel uitmaakt van de Groep van 10;
c. ofwel is aangewezen bij ministeriële regeling op basis van artikel 2:6, tweede lid, respectievelijk 2:8, tweede lid, van de Wet.
- Citeren als
- Art. 3:4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020700
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl