BWBR0009165
Geldig vanaf 2005-08-09
Artikel 69l
Regeling wijziging constructie
1. Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 mei 2004, moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 76/115/EEG.
2. Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 mei 2004, moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 77/541/EEG voor die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien.
Het is toegestaan personenauto’s te voorzien van autogordels die zijn goedgekeurd voor een ander type voertuig dan waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, indien:
a. op het in Richtlijn 77/541/EEG, bijlage II, bedoelde goedkeuringsformulier dat andere type voertuig is vermeld;
b. de positie van de bevestigingspunten in het voertuig overeenstemt met de positie waarin de autogordels zijn goedgekeurd;
c. de autogordels zijn aangebracht overeenkomstig de montagevoorschriften van de fabrikant van de autogordels.
2. Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 mei 2004, moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 77/541/EEG voor die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien.
Het is toegestaan personenauto’s te voorzien van autogordels die zijn goedgekeurd voor een ander type voertuig dan waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, indien:
a. op het in Richtlijn 77/541/EEG, bijlage II, bedoelde goedkeuringsformulier dat andere type voertuig is vermeld;
b. de positie van de bevestigingspunten in het voertuig overeenstemt met de positie waarin de autogordels zijn goedgekeurd;
c. de autogordels zijn aangebracht overeenkomstig de montagevoorschriften van de fabrikant van de autogordels.