BWBR0009165
Geldig vanaf 2005-08-09
Artikel 329
Regeling wijziging constructie
1. Een bedrijfsauto die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, moet zijn voorzien van een achteruitrijinrichting en van een snelheidsmeter die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 75/443/EEG(PbEG 26 juli 1975, L 196). Met een snelheidsmeter wordt gelijkgesteld een controleapparaat dat voldoet aan het bepaalde in verordening 3821/85/EEG(PbEG 31 december 1985, L 370).
2. Een bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moet zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
3. De volgende categorieën motorvoertuigen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 92/6EEG en in richtlijn 92/24EEG:
a. bedrijfsauto’s met een dieselmotor, met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen;
b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
c. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg, die na
d. 31 december 1987 in gebruik zijn genomen;
e. bussen met een dieselmotor, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen;
f. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
g. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen.
4. In afwijking van het derde lid mag de snelheidsbegrenzer van een bedrijfsauto of bus, die na 31 december 1987 doch vóór 1 januari 1994 in gebruik is genomen, behoren tot een in de Regeling toelatingseisengoedgekeurde soort.
5. De in het derde lid bedoelde verplichting geldt niet voor:
a. motorrijtuigen als bedoeld in artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
b. motorrijtuigen waarvan, naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast: 1º het gebruiksdoel zich verzet tegen het aanbrengen van een snelheidsbegrenzer;
2º de door de constructie bepaalde maximumsnelheid minder bedraagt dan de in richtlijn 92/6/EEG voor het desbetreffende motorrijtuig voorgeschreven afstelsnelheid;
1º het gebruiksdoel zich verzet tegen het aanbrengen van een snelheidsbegrenzer;
2º de door de constructie bepaalde maximumsnelheid minder bedraagt dan de in richtlijn 92/6/EEG voor het desbetreffende motorrijtuig voorgeschreven afstelsnelheid;
c. motorrijtuigen waarvan, naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, door de aanvrager van een kentekenbewijs aannemelijk wordt gemaakt dat het motorrijtuig gebruikt wordt: 1º door een openbare dienst, uitsluitend binnen de bebouwde kom;
2º voor wetenschappelijke proefnemingen op de weg.
1º door een openbare dienst, uitsluitend binnen de bebouwde kom;
2º voor wetenschappelijke proefnemingen op de weg.
2. Een bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moet zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
3. De volgende categorieën motorvoertuigen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 92/6EEG en in richtlijn 92/24EEG:
a. bedrijfsauto’s met een dieselmotor, met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen;
b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
c. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg, die na
d. 31 december 1987 in gebruik zijn genomen;
e. bussen met een dieselmotor, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen;
f. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
g. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen.
4. In afwijking van het derde lid mag de snelheidsbegrenzer van een bedrijfsauto of bus, die na 31 december 1987 doch vóór 1 januari 1994 in gebruik is genomen, behoren tot een in de Regeling toelatingseisengoedgekeurde soort.
5. De in het derde lid bedoelde verplichting geldt niet voor:
a. motorrijtuigen als bedoeld in artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
b. motorrijtuigen waarvan, naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast: 1º het gebruiksdoel zich verzet tegen het aanbrengen van een snelheidsbegrenzer;
2º de door de constructie bepaalde maximumsnelheid minder bedraagt dan de in richtlijn 92/6/EEG voor het desbetreffende motorrijtuig voorgeschreven afstelsnelheid;
1º het gebruiksdoel zich verzet tegen het aanbrengen van een snelheidsbegrenzer;
2º de door de constructie bepaalde maximumsnelheid minder bedraagt dan de in richtlijn 92/6/EEG voor het desbetreffende motorrijtuig voorgeschreven afstelsnelheid;
c. motorrijtuigen waarvan, naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, door de aanvrager van een kentekenbewijs aannemelijk wordt gemaakt dat het motorrijtuig gebruikt wordt: 1º door een openbare dienst, uitsluitend binnen de bebouwde kom;
2º voor wetenschappelijke proefnemingen op de weg.
1º door een openbare dienst, uitsluitend binnen de bebouwde kom;
2º voor wetenschappelijke proefnemingen op de weg.