BWBR0009165
Geldig vanaf 2005-08-09
Artikel 108
Regeling wijziging constructie
1. Een bedrijfsauto die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, met uitzondering van een trekker, moet voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG(PbEG 6 april 1970, L 76). Deze bepaling geldt niet voor een voertuig waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde.
2. Een bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, met uitzondering van een trekker, moet voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde, behoudens indien de bedrijfsauto hieromtrent voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG, voldoen aan het bepaalde in de Regeling toelatingseisen. Deze bepaling geldt niet voor een voertuig waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde.
3. Op een bedrijfsauto die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, is ten aanzien van de zijdelingse afscherming tussen de voorste as en de voorste achteras het in richtlijn 89/297/EEGvoor bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 12.000 kg bepaalde van overeenkomstige toepassing. De bedrijfsauto moet voorts achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming ten aanzien waarvan de Regeling toelatingseisenvan toepassing is.
4. Een bedrijfsauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 1995, moet zijn voorzien van zijdelingse afscherming, ten aanzien waarvan de Regeling toelatingseisenvan toepassing is.
5. De in het derde en vierde lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor een trekkers alsmede voor een bedrijfsauto die zijn gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen.
2. Een bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, met uitzondering van een trekker, moet voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde, behoudens indien de bedrijfsauto hieromtrent voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG, voldoen aan het bepaalde in de Regeling toelatingseisen. Deze bepaling geldt niet voor een voertuig waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde.
3. Op een bedrijfsauto die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, is ten aanzien van de zijdelingse afscherming tussen de voorste as en de voorste achteras het in richtlijn 89/297/EEGvoor bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 12.000 kg bepaalde van overeenkomstige toepassing. De bedrijfsauto moet voorts achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming ten aanzien waarvan de Regeling toelatingseisenvan toepassing is.
4. Een bedrijfsauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 1995, moet zijn voorzien van zijdelingse afscherming, ten aanzien waarvan de Regeling toelatingseisenvan toepassing is.
5. De in het derde en vierde lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor een trekkers alsmede voor een bedrijfsauto die zijn gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen.