BWBR0009165
Geldig vanaf 2005-08-09
Artikel 156
Regeling wijziging constructie
1. Een bedrijfsauto die na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, moet aan de achterzijde op deugdelijke wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m dan wel meer bedraagt dan 0,55 m indien het voertuig na 31 december 1994 in gebruik is genomen.
2. De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1996, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1995, niet meer bedragen dan 0,55 m.
3. De stootbalk moet zo dicht mogelijk bij de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht en niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen.
4. De stootbalk van een bedrijfsauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 1996, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan:
a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
Voor een bedrijfsauto die is bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m.
5. De stootbalk van een bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 31 december 1995, moet voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdeel b.
6. De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
7. De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen.
8. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
a. een trekker;
b. een voertuig dat blijkens een aantekening in het kentekenbewijs van het bepaalde in het eerste lid zijn uitgezonderd.
2. De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1996, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1995, niet meer bedragen dan 0,55 m.
3. De stootbalk moet zo dicht mogelijk bij de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht en niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen.
4. De stootbalk van een bedrijfsauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 1996, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan:
a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
Voor een bedrijfsauto die is bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m.
5. De stootbalk van een bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 31 december 1995, moet voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdeel b.
6. De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
7. De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen.
8. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
a. een trekker;
b. een voertuig dat blijkens een aantekening in het kentekenbewijs van het bepaalde in het eerste lid zijn uitgezonderd.