BWBR0009165
Geldig vanaf 2005-08-09
Artikel 42
Regeling wijziging constructie
1. Een bedrijfsauto die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, moet voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen die zich vóór de achterwand van de cabine bevinden, voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/114/EEG(PbEG 31 december 1992, L 409).
2. Een bedrijfsauto mag geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid moeten uitstekende delen van een bedrijfsauto, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
4. Het bepaalde in het tweede en derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
5. Een bedrijfsauto die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, met uitzondering van een trekker, moet voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG(PbEG 6 april 1970, L 76). Deze bepaling geldt niet voor een voertuig waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde.
6. Een bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, met uitzondering van een trekker, moet voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde, behoudens indien deze hieromtrent voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG, voldoen aan het bepaalde in de Regeling toelatingseisen. Deze bepaling geldt niet voor een voertuig waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde.
7. Een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, moet tussen de voorste as en de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG(PbEG 5 mei 1989, L 124), alsmede achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.
8. Op een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, is ten aanzien van de zijdelingse afscherming tussen de voorste as en de voorste achteras het in richtlijn 89/297/EEGvoor een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 12.000 kg bepaalde van overeenkomstige toepassing. De bedrijfsauto moet voorts achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.
9. Een bedrijfsauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 1995, moet zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.
10. De in het zevende, achtste en negende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor een trekker alsmede voor een bedrijfsauto die is gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen.
11. De wielen van een bedrijfsauto moeten deugdelijk zijn afgeschermd, overeenkomstig het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.
2. Een bedrijfsauto mag geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid moeten uitstekende delen van een bedrijfsauto, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
4. Het bepaalde in het tweede en derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
5. Een bedrijfsauto die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, met uitzondering van een trekker, moet voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG(PbEG 6 april 1970, L 76). Deze bepaling geldt niet voor een voertuig waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde.
6. Een bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, met uitzondering van een trekker, moet voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde, behoudens indien deze hieromtrent voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG, voldoen aan het bepaalde in de Regeling toelatingseisen. Deze bepaling geldt niet voor een voertuig waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde.
7. Een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, moet tussen de voorste as en de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG(PbEG 5 mei 1989, L 124), alsmede achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.
8. Op een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, is ten aanzien van de zijdelingse afscherming tussen de voorste as en de voorste achteras het in richtlijn 89/297/EEGvoor een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 12.000 kg bepaalde van overeenkomstige toepassing. De bedrijfsauto moet voorts achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.
9. Een bedrijfsauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 1995, moet zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.
10. De in het zevende, achtste en negende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor een trekker alsmede voor een bedrijfsauto die is gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen.
11. De wielen van een bedrijfsauto moeten deugdelijk zijn afgeschermd, overeenkomstig het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.