BWBR0009165
Geldig vanaf 2005-08-09
Artikel 25
Regeling wijziging constructie
1. Een personenauto die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, moet zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 76/115/EEG(PbEG 30 januari 1976, L 24).
2. Een personenauto die in gebruik is genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995 moet zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels. Deze bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de zitplaats van de bestuurder en op naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover die zitplaatsen aan een portier grenzen. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.
3. Een personenauto die in gebruik is genomen na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1995 moet tevens zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels voor alle andere naar voren gerichte zitplaatsen dan in het eerste lid bedoeld. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.
4. De aanwezigheid van de in het eerste en tweede lid bedoelde bevestigingspunten is niet verplicht voor een voertuig dat in gebruik is genomen voor 1 januari 1995, indien degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast van oordeel is dat er in verband met de bouw of inrichting van het voertuig aanleiding bestaat de verplichting niet op het voertuig van toepassing te doen zijn.
5. Een personenauto die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994 moet zijn voorzien van autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 77/541/EEG(PbEG 29 augustus 1977, L 220) voor die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien.
6. Een personenauto die in gebruik is genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de in het eerste en tweede lid bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.
2. Een personenauto die in gebruik is genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995 moet zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels. Deze bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de zitplaats van de bestuurder en op naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover die zitplaatsen aan een portier grenzen. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.
3. Een personenauto die in gebruik is genomen na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1995 moet tevens zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels voor alle andere naar voren gerichte zitplaatsen dan in het eerste lid bedoeld. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.
4. De aanwezigheid van de in het eerste en tweede lid bedoelde bevestigingspunten is niet verplicht voor een voertuig dat in gebruik is genomen voor 1 januari 1995, indien degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast van oordeel is dat er in verband met de bouw of inrichting van het voertuig aanleiding bestaat de verplichting niet op het voertuig van toepassing te doen zijn.
5. Een personenauto die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994 moet zijn voorzien van autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 77/541/EEG(PbEG 29 augustus 1977, L 220) voor die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien.
6. Een personenauto die in gebruik is genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de in het eerste en tweede lid bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan het bepaalde in de Regeling toelatingseisen.