BWBR0009165
Geldig vanaf 2005-08-09
Artikel 121
Regeling wijziging constructie
1. Een motorfiets, in gebruik genomen na 31 maart 1997, moet zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg:
a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,9 m/s² bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s² bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt;
b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,6 m/s² bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s² bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt;
c. bij gebruik van de voorwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s² bedraagt;
d. bij gebruik van de achterwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s² bedraagt;
e. in geval van een gecombineerde reminrichting: 1º bij gebruik van de gecombineerde reminrichting ten minste 4,5 m/s² bedraagt, dan wel ten minste 4,8 m/s² bedraagt bij aangekoppelde zijspanwagen, en
2º bij gebruik van de andere rem ten minste 2,2 m/s² bedraagt.
1º bij gebruik van de gecombineerde reminrichting ten minste 4,5 m/s² bedraagt, dan wel ten minste 4,8 m/s² bedraagt bij aangekoppelde zijspanwagen, en
2º bij gebruik van de andere rem ten minste 2,2 m/s² bedraagt.
2. Een motorfiets, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 1 april 1997, moet zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg:
a. bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,5 m/s² bedraagt, en bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 4,1 m/s²;
b. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,5 m/s² bedraagt;
c. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,8 m/s² bedraagt.
3. Een motorfiets, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 27 november 1975, moet zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,2 m/s² bedraagt.
4. Een motorfiets, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 3,8 m/s²² bedraagt.
5. De voor het gebruik van de remmen benodigde bedieningskracht mag bij een motorfiets die in gebruik is genomen na 26 november 1975, bij gebruik van een remhandel niet meer dan 200 N en bij gebruik van een rempedaal niet meer bedragen dan:
a. 500 N, dan wel
b. 350 N indien de motorfiets na 31 maart 1997 in gebruik is genomen.
a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,9 m/s² bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s² bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt;
b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,6 m/s² bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s² bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt;
c. bij gebruik van de voorwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s² bedraagt;
d. bij gebruik van de achterwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s² bedraagt;
e. in geval van een gecombineerde reminrichting: 1º bij gebruik van de gecombineerde reminrichting ten minste 4,5 m/s² bedraagt, dan wel ten minste 4,8 m/s² bedraagt bij aangekoppelde zijspanwagen, en
2º bij gebruik van de andere rem ten minste 2,2 m/s² bedraagt.
1º bij gebruik van de gecombineerde reminrichting ten minste 4,5 m/s² bedraagt, dan wel ten minste 4,8 m/s² bedraagt bij aangekoppelde zijspanwagen, en
2º bij gebruik van de andere rem ten minste 2,2 m/s² bedraagt.
2. Een motorfiets, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 1 april 1997, moet zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg:
a. bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,5 m/s² bedraagt, en bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 4,1 m/s²;
b. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,5 m/s² bedraagt;
c. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,8 m/s² bedraagt.
3. Een motorfiets, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 27 november 1975, moet zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,2 m/s² bedraagt.
4. Een motorfiets, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 3,8 m/s²² bedraagt.
5. De voor het gebruik van de remmen benodigde bedieningskracht mag bij een motorfiets die in gebruik is genomen na 26 november 1975, bij gebruik van een remhandel niet meer dan 200 N en bij gebruik van een rempedaal niet meer bedragen dan:
a. 500 N, dan wel
b. 350 N indien de motorfiets na 31 maart 1997 in gebruik is genomen.