BWBR0009165
Geldig vanaf 2005-08-09
Artikel 133
Regeling wijziging constructie
1. Een aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag niet langer zijn dan:
a. 12,00 m;
b. 8,00 m indien het een middenasaanhangwagen betreft.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mag een kermis- of circusvoertuig niet langer zijn dan 14,00 m.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mag:
a. een middenasaanhangwagen die vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen, niet langer zijn dan 10,00 m;
b. een middenasaanhangwagen die na 30 juni 1967 maar vóór 1 januari 1987 in gebruik is genomen, niet langer zijn dan 10,00 m indien de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2500 kg.
4. a. Van een oplegger die na 30 april 1993 in gebruik is genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m;
b. Van een oplegger die vóór 1 mei 1993 in gebruik is genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt.
5. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid, onderdeel a, mag van een kermis- of circusvoertuig de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m.
a. 12,00 m;
b. 8,00 m indien het een middenasaanhangwagen betreft.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mag een kermis- of circusvoertuig niet langer zijn dan 14,00 m.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mag:
a. een middenasaanhangwagen die vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen, niet langer zijn dan 10,00 m;
b. een middenasaanhangwagen die na 30 juni 1967 maar vóór 1 januari 1987 in gebruik is genomen, niet langer zijn dan 10,00 m indien de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2500 kg.
4. a. Van een oplegger die na 30 april 1993 in gebruik is genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m;
b. Van een oplegger die vóór 1 mei 1993 in gebruik is genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt.
5. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid, onderdeel a, mag van een kermis- of circusvoertuig de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m.